What a wonderful world it would be

Elders nummer 7 en de voorstelling ervan op zaterdag 16 mei, was door de Eldersredactie opgevat als een hommage aan Franc Knipscheer. De illustere uitgever was achtenzeventig geworden. Hij ging dan toch maar op rust, dik tegen zijn zin weliswaar, maar het moest er een keer van komen. Nu dus. Vandaag sloot hij de deur van de uitgeverij In de Knipscheer voorgoed en dat einde zou in Haarlem gevierd en betreurd worden zoals het op een degelijke begrafenis de gewoonte is. Ik moest en zou erbij zijn, ook al betekende dat -op en af- een rit van vierhonderd kilometer.
    Wij hadden immers onmeetbaar veel aan Franc Knipscheer te danken. Ons prille tijdschrift was door hem in een leefnet met het Knipscheerschip meegesleept tot het zelf kon zwemmen en er was nog veel meer om dankbaar voor te zijn. Niet alleen een pak beroemde schrijvers zoals Tommy Wieringa, Marion Bloem en Astrid Roemer hadden er het voorrecht genoten te mogen rijpen in de veilige incubator die In de Knipscheer vijftig jaar lang was, maar zo ook ikzelf en de halve Eldersredactie.
    Ik vervolgde mijn weg door het vlakke Nederland, langs de havens, de polders, de Oosterschelde. De hemel was open, het licht zacht. Het ene fantastische vergezicht na het andere trok aan me voorbij. Bij Amsterdam was er toch een uur vertraging door file. Wat moet dat hier tijdens de week zijn, dacht ik. Ik vloekte even, maar bedacht dat ik straks de keur van uitgeverij In de Knipscheer en Elders Literair zou ontmoeten en staakte mijn inwendig geraas.
    Toen ik eindelijk voor de deur van de Pletterij geparkeerd stond en even later de kleine concertzaal betrad, gebeurde weer wat er altijd gebeurt als ik het parallelle universum van Elders en uitgeverij In de Knipscheer betreed. Ik kreeg een grote bak liefde over me heen. Er was ook een kopje hete thee. Die thee stond ik ineen te draaien naast een vriendelijke mijnheer, die zei dat hij dacht dat het gratis was, maar zeker was hij niet, ‘want hij was niet van de organisatie’. Ernst Jansz bleek die mijnheer te heten. Dat daagde me pas een kwartiertje later. Verdorie. Ik wist nochtans dat hij zou komen. Hij stond op de affiche, net als ik. Toen ik het vernam, had ik dat hallucinant gevonden en dat was het ook. Maar was mijn fout niet enigszins verschoonbaar? Dat denk ik wel. Sterren houden zich afzijdig, die zitten in een apart hokje waar zeldzame bloemen staan te verwelken, die dragen binnen een zonnebril; en ik had alleen vriendelijkheid gezien en een enigszins geamuseerde oogopslag. Straks goedmaken, dacht ik. Zéker nog goedmaken.
    De zaal liep vol. Bil aan bil zaten we opeengepakt. Er was geen stoel meer vrij. Dat is doorgaans zo op de presentaties van Elders en het was nu uiteraard niet anders. Ik zat vooraan naast Franc. Wat een voorrecht. Pop noir zangeres Lakshmi opende met twee nummers, alleen begeleid door elektrische gitaar, geen franjes, zo is ze op haar best. Ook zij heeft veel aan Franc te danken, ook zij houdt van Franc. Peter de Rijk vertelde heel aandoenlijk en vol poëtische beelden over de vroege dagen van de uitgeverij en er werden iconische foto’s geprojecteerd in zwart-wit. Wat een tijd moet dat geweest zijn. Wat zagen de eighties er roaring uit op deze foto’s. Ik zag zelfs Tom Lanoye en Joost Zwagerman passeren, piepjong, maar vooral ook veel beelden van Jos en Franc zelf, uit het geliefde Curaçao, waar een pak auteurs van het fonds vandaan komen. Franc kreeg een eerste tissue van zijn vrouw Anja toegestopt. Nu las Scott Rollins een brief van Graig Kee Strete voor. Die was uit Amerika per electronic mail toegestuurd, speciaal voor deze dag. Craig Kee Strete bleek een van de favoriete auteurs uit het fonds zijn, native American, een oude vriend. De brief, in het Engels gesteld, droop van liefde en vriendschap en vooral van heimwee om de dagen die voorbij waren. De volgende tissue werd uitgereikt.
    Ernst Jansz kwam met een betraand gezicht het podium op. Hij gaf een breekbare, bitterzoete en soms grappige muzikale lezing. Een beetje over Doe Maar, veel over Bob Dylan. Hij kan nog altijd zingen. Een mooie gerijpte stem heeft hij nu. Ik hoor de echo van een voetstap/als het ritme van de zee/soms draai ik me om en ben ik alleen/soms loopt er iemand mee/in de weegschaal van de werkelijkheid/balanceer ik op de rand/als iedere mus die vallen kan/als iedere korrel zand. Tissue nummer drie.
    Na de pauze deed ik mijn ding, een beetje lichter op de hand, dat was de opdracht. Iemand lachte, ergens. Daarna kregen we een ontroerende film te zien over Franc en Anja, de uitgeverij en Curaçao. Zelfs in de film hield Franc het niet droog toen hij een fragment voorlas uit het eerste boek van Boeli van Leeuwen. Joans keek omhoog naar de sterren en zei: ‘Ik ben geen man van boeken en ben maar drie jaar bij de Fraters op school geweest. Ik kan mijn naam schrijven en ben in de kerk getrouwd. Ik heb zeven kinderen verwekt, waarvan de Heer er twee tot zich heeft genomen. Ik ken de wereld niet; ik ken alleen de zee en de vissen die daarin wonen. Ik ben nog nooit verder geweest dan Bonaire. Ik heb nog nooit ijs en sneeuw gezien. Maar ik weet dat de zee alle landen met elkaar verbindt. Dit water hier gaat naar het Noorden, maar keert weer terug naar het Zuiden. Jouw hoofd zit vol met grote dromen en God heeft ieder van ons geschapen zoals Hij wil. Jij moet geheimen zoeken in hetgeen de mensen in hun boeken schrijven en met hun handen maken. Ik leef tussen de geheimen van God die geen verklaring behoeven, omdat ze door God zelf zijn gemaakt: de zee, de hemel, de vissen en de vogels. Daarom hoef ik geen boeken te lezen, want in de boeken staat niets meer dan ik zelf weet. Ga naar Holland en als je terugkomt gaan we samen vissen.’
    Ik zat aan mijn stoel genageld en begreep iets. Iets over Franc, iets over het leven.
    Ook de zaal was geruime tijd muisstil. Presentator Arjen van Meijgaard gaf ons de tijd om na te genieten.
    Even later werd het fameuze Elders nummer 7 door Kees Ruys aan Franc overhandigd samen met een tekening van Diederik Gerlach en toen nam onze alvader zelf het woord voor een heerlijke, niet geprogrammeerde beschouwing over zijn leven en over alles wat we die avond hadden beleefd. Wat een leven, wat een dienstbaarheid aan de literatuur en aan de diversiteit, wat een inspirerend mens. Het applaus bleef duren en terecht.
    Met een stevig noisy nummer takelde Lakshmi ons ten slotte uit onze melancholie in een bad vol levenslust, en zo werd het een echte begrafenis: eerst wenen om wat verloren is en dan uitbundig lachen en samen drinken op het leven.
    Maar ik moest nog terug. Ik ging afscheid nemen van Franc, Lakshmi, Peter, van het Eldersteam en dus ook van Ernst Jansz. We hadden nog een kort gesprek over de liefdevolheid van In de Knipscheer en van Franc, zijn dienstbaarheid, zijn doorzettingsvermogen. Hoe simpel zou het kunnen zijn en hoe mooi als iedereen een beetje meer zou zijn zoals Franc. ‘What a wonderful world it would be’, zei ik. ‘Ik dacht net hetzelfde,’ zei Ernst Janz en ik kreeg een hoofse knuffel. Nú kon ik met een gerust hart terug naar huis.
    Toen ik buiten stond, was het nog niet helemaal donker. Ik keek nog even om naar de Pletterij. Is dit iets ouds, vroeg ik me af, iets van vroeger, iets wat zal uitsterven? Maar ik weigerde dat te geloven. Misschien was het wel iets nieuws, een nieuwe twijg op een oude stam.

Kristien De Wolf

Foto: Anneke Ruys