Trouweloosheidsereblijk
Lang verhaal
De geur van verschroeid lamsvet en kardemom hing zwaar in de nauwe doorgang van de souk in Tanger. Ilias duwde de rolstoel van zijn broer, Malik, over de ongelijke kinderkoppen. Elke schok trilde door Ilias’ armen, een ritmische herinnering aan de zwakte van het onderstel. Malik staarde naar zijn knieën, die onder een dunne, wollen deken lagen, ongevoelig voor de hitte van de Marokkaanse middagzon.
‘Ilias,’ zei Malik schor. Hij wees met een trillende vinger naar een kraam met koperen schalen. ‘Die.’
Ilias stopte. Hij veegde het zweet van zijn voorhand. Zijn vingers lieten vlekken achter op zijn linnen overhemd. ‘We hebben geen ruimte voor koper, Malik. We hebben medicijnen nodig.’
‘Geen medicijnen,’ zei Malik. Hij keek op. Zijn ogen waren troebel door de grijze staar die hij in het kamp in Libië had opgelopen. ‘Koper. Voor het licht.’
Aan de overkant van de straat stond een vrouw in een strakgesneden, diepblauwe jumpsuit. Ze hield een zware analoge camera tegen haar gezicht. Ze was blond, haar huid roodverbrand door een zon waar ze niet aan gewend was. Naast haar stond een man met een klembord, een Marokkaanse gids die voortdurend knikte.
‘Kijk ze daar zitten,’ zei de vrouw. Ze liet haar camera zakken. Haar stem droeg ver over de straat, helder en pretentieus. ‘De perfecte compositie van verval en broederliefde. De gehandicapte immigrant die terugkeert naar de bron. Het is bijna te pijnlijk om naar te kijken.’
Ilias verstrakte. Hij verstond elk woord. Hij was opgegroeid in een buitenwijk van Parijs voordat de deportatiebevelen kwamen, voordat de dromen over een Europees burgerrecht verdampten in bureaucratische kelders.
De vrouw liep op hen toe. Ze rook naar dure zeep en een vleugje muskus. ‘Bonjour,’ zei ze, haar Franse accent overdreven gearticuleerd zoals men tegen kinderen of honden spreekt. ‘Mag ik een portret maken? Voor mijn serie over de verloren generatie?’
Ilias keek naar Malik. Malik keek naar de koperen schaal.
‘Wat schuift het?’ vroeg Ilias.
De vrouw knipperde met haar ogen. ‘Pardon?’
‘U wilt ons gezicht verkopen in een galerie in de Marais,’ zei Ilias. Hij liet de handvatten van de rolstoel los en kruiste zijn armen. ‘Ik wil weten wat onze ellende vandaag waard is.’
De man met het klembord stapte naar voren. ‘Ilias, wees niet onbeleefd. Mevrouw Van Veen is een gerenommeerd kunstenaar uit Amsterdam. Ze steunt projecten voor de lhbtqi-gemeenschap hier in het Noorden.’
Ilias lachte kort. ‘Vraag haar dan of ze weet waar mijn partner, Julian, is gebleven toen de politie hem uit onze kamer in Brussel sleepte. Vraag haar of ze weet hoeveel flessen wijn ze moet verkopen om de schroeven in de ruggengraat van mijn broer te betalen.’
Mevrouw Van Veen haalde een portefeuille uit haar tas. Ze nam er een biljet van tweehonderd dirham uit. ‘Voor de tijd,’ zei ze.
Ze begon te schieten. Het mechanische geklik van de sluiter sneed door de omgevingsgeluiden van slaande slagersmessen en roepende handelaren. Malik zat roerloos. Een vlieg landde op zijn wang. Hij verplaatste zijn spieren niet.
‘Prachtig,’ mompelde de fotografe. ‘Die berusting. De totale afwezigheid van hoop. Dat is de essentie.’
Ilias voelde een brandende druk achter zijn ogen. Het was geen verdriet. Het was een fysieke behoefte om iets kapot te slaan. In plaats daarvan pakte hij de koperen schaal die Malik had aangewezen en smeet het geld op de toonbank van de koopman.
Die avond zaten ze in een klein pension aan de rand van de kashba. De muren waren bepleisterd met kalk die in grote schilfers losliet. Op de tafel stond een tajine met pruimen en amandelen. De stoom steeg op in de koele avondlucht.
Ilias voerde Malik met kleine hapjes. Het vlees was zacht, de saus zoet en stroperig.
‘Je hebt spijt,’ zei Malik plotseling. Hij slikte moeizaam.
‘Spijt waarvan?’ Ilias doopte een stuk brood in de saus.
‘Dat je mij hebt meegenomen over de grens. Dat je de anderen hebt achtergelaten op de boot.’
Ilias stopte met kauwen. De smaak van de pruimen werd as in zijn mond. Hij zag de zwarte golven weer voor zich. Hoorde het geluid van de buitenboordmotor die ermee ophield. De paniek. De manier waarop de rubberboot begon te kantelen onder het gewicht van dertig lichamen.
Hij had Malik’s hand vastgegrepen. Maar er was een andere hand geweest. Een hand die zijn enkel vasthield vanuit het water. Een vrouw, haar gezicht een bleke vlek in de nacht, haar ogen wijd opengesperd. Ze riep geen naam, ze maakte alleen een geluid als een verstikkend dier.
Ilias had geschopt. Hij had getrapt tot de hand losliet. Alleen om de boot in evenwicht te houden. Alleen om Malik te redden.
‘Iemand moest de keuzes maken,’ zei Ilias. Hij keek naar de muur. ‘De boot was te vol.’
‘Je schopt nog steeds in je slaap,’ zei Malik zacht.
Beneden op de straat klonk de stem van de fotografe weer. Ze lachte. Er klonk het geluid van glazen die tegen elkaar aan tikten.
‘Op de kunst!’ riep een mannenstem. ‘Op de rauwe waarheid!’
Ilias stond op en liep naar het balkon. Hij keek neer op het terras van het luxehotel aan de overkant. Mevrouw Van Veen zat daar met haar gezelschap. Ze dronken witte wijn uit gekoelde glazen. Op de tafel naast haar lag haar camera, het instrument dat de stilte van zijn broer had omgezet in een esthetisch object.
Hij dacht aan de vrouw in het water. Hij dacht aan de manier waarop hij haar gezicht nooit meer zou zien, behalve wanneer hij zijn ogen sloot. Was hij anders dan de vrouw met de camera? Zij parasiteerde op de nasleep van het drama, hij had het drama zelf geregisseerd door een leven tegen een ander af te wegen.
De volgende ochtend was de hitte nog verstikkender. Ilias hielp Malik in de douche. De tegels waren glad. Hij moest al zijn kracht gebruiken om Malik’s slappe lichaam overeind te houden. Het water was lauw en rook naar chloor.
‘We gaan vandaag naar de haven,’ zei Ilias terwijl hij Malik afdroogde.
‘Waarom?’
‘Ik heb een afspraak. Met iemand die papieren regelt. Echte papieren. Niet de kopieën waar we mee reizen.’
Malik greep Ilias’ pols vast. Zijn grip was verrassend sterk. ‘Ilias, stop ermee. We zijn er al. Er is geen verder meer.’
‘Er is altijd een verder,’ beet Ilias hem toe.
Ze vonden de man in een café bij de vismarkt. De lucht hier was een mengeling van zilt water, rotte vis en diesel. De man droeg een duur pak dat niet paste bij de omgeving. Hij streek over zijn gladgeschoren kin.
‘Vijfduizend,’ zei de man. ‘Per persoon. Voor een plek op een containerschip naar Canada. Geen rubberboten. Een hut. Eten.’
‘Ik heb maar drieduizend,’ zei Ilias.
De man keek naar Malik in de rolstoel. ‘De broer telt voor twee. Hij is een risico. Als hij medische hulp nodig heeft midden op de oceaan, gooit de kapitein hem overboord om geen gedoe met de autoriteiten te krijgen.’
Ilias voelde een koude rilling die niets te maken had met de zeewind. ‘Hij is geen risico. Ik zorg voor hem.’
De man haalde zijn schouders op. ‘Drieduizend is genoeg voor één. Kies.’
Ilias keek naar de horizon, waar de grote schepen als stalen monsters voorbijgleden. De keuze was weer daar. De weegschaal van het geweten.
Hij draaide de rolstoel om en liep weg zonder een woord te zeggen.
In de middag vond hij de fotografe weer. Ze stond bij de ingang van een oude leerlooierij. De stank van ammoniak en rottende huiden was overweldigend. Ze hield een sjaal voor haar neus terwijl ze aanwijzingen gaf aan een jonge Marokkaanse man die halfnaakt in een vat met blauwe verf stond.
‘Kijk meer… geteisterd,’ riep ze. ‘Alsof de kleur je ziel opeet.’
Ilias liep recht op haar af. De gids probeerde hem tegen te houden, maar Ilias duwde hem opzij.
‘Ik heb meer foto’s voor u,’ zei Ilias.
Mevrouw Van Veen keek hem aan over de rand van haar sjaal. Haar ogen glinsterden. ‘Ja? Wat heb je in gedachten?’
‘Iets echts,’ zei Ilias. ‘Geen pose. Ik neem u mee naar de plek waar de boten vertrekken. Waar de lijken aanspoelen als de wind verkeerd staat. Ik laat u de gezichten zien van de moeders die wachten bij de rotsen.’
De fotografe aarzelde. ‘Is het veilig?’
‘Niets is veilig hier,’ zei Ilias. ‘Maar u wilt toch de waarheid? De ongefilterde, schurende werkelijkheid?’
Ze knikte enthousiast. ‘Dat zou een fantastische afsluiting van mijn boek zijn.’
‘Het kost u vijfduizend euro,’ zei Ilias. ‘Contant. Vooraf.’
Ze lachte. ‘Dat is een hoop geld.’
‘De waarheid is duur,’ zei Ilias. ‘Vraag maar aan mijn broer.’
Twee uur later zaten ze in een gehuurde terreinwagen. Ilias reed. Malik zat op de achterbank, zijn hoofd leunend tegen het raam. Mevrouw Van Veen zat naast Ilias, haar camera op schoot. Ze reden weg van de stad, de droge, stoffige heuvels in die uitkeken over de Straat van Gibraltar.
De weg werd smaller, een spoor van stenen en diepe geulen.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg ze na een tijdje. De opwinding in haar stem was vervangen door lichte angst.
‘Naar de rand,’ zei Ilias.
Hij stopte de auto op een klif. De zee beneden was diepblauw, bijna zwart. De wind huilde om de wagen. Ilias stapte uit en hielp Malik in de rolstoel. Hij reed hem tot aan de rand van de afgrond.
Mevrouw Van Veen stapte aarzelend uit. Ze keek om zich heen. Er was niemand. Alleen de wind en de rotsen.
‘Hier is het,’ zei Ilias. Hij wees naar de branding diep beneden hen. ‘Ziet u die witte vlekken op de stenen? Dat zijn geen meeuwen. Dat zijn de resten van reddingsvesten. Goedkope troep die niet blijft drijven.’
Ze begon te fotograferen, maar haar handen trilden. ‘Het is… het is heel indrukwekkend.’
‘Wilt u weten waarom ik mijn enkel brak op die boot?’ vroeg Ilias plotseling.
Ze stopte. ‘Hoe bedoel je?’
‘Ik heb iemand getrapt,’ zei Ilias. Zijn stem was nu vlak, ontdaan van elke emotie. ‘Een vrouw. Ze verdronk. Ik heb haar onder water geduwd zodat de boot niet zou omslaan. Mijn broer zag het. Hij zegt niets, maar hij ziet het elke keer als hij naar mij kijkt.’
Mevrouw Van Veen slikte. Ze zocht naar een antwoord, naar een intellectueel kader om dit in te plaatsen, maar ze vond niets. De abstractie van haar kunst was weggevaagd door de fysieke nabijheid van de bekentenis.
‘En nu,’ zei Ilias, ‘heeft u de foto’s. U heeft de bekentenis. U heeft alles wat u nodig heeft om een ster te worden in de wereld van de geëngageerde kunst.’
Hij liep naar haar toe. Ze stapte achteruit, tot ze met haar rug tegen de auto stond.
‘Geef me de camera,’ zei Ilias.
‘Wat? Nee!’
Hij greep de riem van de camera en trok hard. De techniek protesteerde, het leer sneed in haar nek. Hij rukte het toestel weg.
‘Vijfduizend euro,’ zei Ilias. ‘Die heeft u bij u. Ik heb het gezien toen we vertrokken.’
Ze trilde over haar hele lichaam. Ze reikte in haar tas en haalde een envelop tevoorschijn. Ilias nam de envelop aan en controleerde de inhoud.
‘Bedankt voor uw bijdrage aan onze toekomst,’ zei hij.
Hij liep naar de rand van de klif en hield de camera boven de afgrond.
‘Nee!’ schreeuwde ze. ‘Al mijn werk van de afgelopen maand! De hele serie!’
Ilias liet de camera vallen. Het dure object tuimelde naar beneden, sloeg tegen een uitstekende rots en verdween met een nauwelijks hoorbare plons in de diepte.
‘Nu is de herinnering alleen van u,’ zei Ilias. ‘U kunt erover schrijven. U kunt erover praten op feestjes. Maar u zult nooit kunnen bewijzen dat u er was. Net zoals ik nooit kan bewijzen dat die vrouw in het water bestond.’
Hij liep terug naar de auto en tilde Malik in de achterbank.
‘Komt u nog?’ vroeg hij aan de vrouw die verstijfd bij de rand stond. ‘Of wilt u hier blijven wachten tot de moeders komen?’
De terugrit verliep in een ijzingwekkende stilte. In Tanger zette hij haar af bij haar hotel. Ze stapte uit zonder om te kijken, haar schouders gebogen.
Ilias reed naar de haven. De man in het pak wachtte hem op.
‘Hier,’ zei Ilias en hij smeet de envelop op tafel. ‘Twee personen. Canada.’
De man telde het geld. ‘Morgenavond. Pier 4. Zorg dat hij drie uur in een krat kan zitten. Daarna mag hij de hut in.’
Ilias knikte.
Die avond in het pension keek hij naar Malik. Zijn broer hield de koperen schaal vast. Het licht van de maan viel erop en weerkaatste tegen het plafond, waardoor er dansende vlekken op de kalkmuren ontstonden.
‘We gaan, Malik,’ zei Ilias.
‘Heb je haar laten vallen?’ vroeg Malik.
‘De camera?’
‘De vrouw,’ zei Malik. Hij keek zijn broer recht aan. Zijn staar leek voor een moment weggetrokken. ‘Heb je haar weer in het water geduwd?’
Ilias ging op de rand van het bed zitten. De wroeging was geen scherpe pijn meer, het was een constante druk, een gewicht dat hij had leren dragen zoals hij Malik’s lichaam droeg.
‘Ik heb ons gered,’ zei hij.
‘Wie redt ons van onszelf?’ vroeg Malik.
Ilias antwoordde niet. Hij begon de tassen te pakken. Hij vouwde zijn linnen overhemden op, legde de medicijnen bovenop en plaatste de koperen schaal tussen de handdoeken zodat hij niet zou krassen.
Buiten, in de stad, bereidde mevrouw Van Veen zich voor op haar vertrek naar Europa. Ze zat aan de bar van het hotel en bestelde een dubbele gin-tonic. Ze opende haar notitieboekje. Ze begon te schrijven, haar pen vloog over het papier. Ze beschreef de hitte, de stank, de wreedheid van de man die haar had beroofd. Ze maakte er een verhaal van. Een verhaal over de onmogelijkheid van communicatie, over de duisternis van de menselijke ziel.
Tegen de tijd dat ze haar glas leeg had, voelde ze zich al beter. De diefstal was een offer geworden op het altaar van haar narratief. Ze had geen foto’s meer nodig; ze had de morele superioriteit van het slachtofferschap.
Op Pier 4, in de schaduw van enorme containers, tilde Ilias zijn broer uit de rolstoel. Hij tilde hem op als een kind. De rolstoel liet hij achter op de kade, een skelet van aluminium en rubber.
‘Houd je vast,’ fluisterde hij in Malik’s oor.
Ze kropen in de houten krat die voor hen was klaargezet. De ruimte was klein, benauwd, en rook naar vers zaagsel. Ilias trok het deksel boven hen dicht.
In het absolute donker hoorde Ilias alleen Malik’s moeizame ademhaling en het klotsen van de zee tegen de romp van het schip. Elke golf was de hand van de vrouw. Elke schok van de motor was zijn eigen trap.
Hij sloot zijn ogen en bad niet om vergeving, maar om de kracht om de volgende misdaad te begaan die nodig zou zijn om te overleven. Want hij wist nu dat geweten een luxe was voor degenen die op het terras bleven zitten, terwijl de rest van de wereld in het zwart van de oceaan naar adem hapte.
Het schip trilde. De reis begon.
Ver weg, in een kliniek in Amsterdam, zou een arts later verklaren dat de littekens op Malik’s rug niet pasten bij een val, maar bij een langdurige marteling. Een marteling die niet door vijanden was uitgevoerd, maar door de spanning van het vastgehouden worden. De druk van de liefde die verstikt.
Maar dat was een ander verhaal. Voor een andere galerie.
Ilias hield zijn broer vast in het donker. Hij voelde het metaal van de koperen schaal tegen zijn knie. Het was koud. Het was hard. Het was het enige wat hij nog bezat dat niet bevlekt was door de waarheid.
Boven hen zongen de matrozen. Een lied over een huis dat niet meer bestond.
De boot gleed weg van de Afrikaanse kust, de duisternis in, beladen met containers vol goedkope kleding voor het noorden, en twee lichamen die de prijs van hun doorgang hadden betaald in de valuta van het verraad.
Ilias sliep niet. Hij luisterde naar de zee. De zee die nooit zweeg. De zee die alle gezichten onthield die hij liever was vergeten.
Hij voelde Malik trillen.
‘Ben je er?’ fluisterde Malik.
‘Ik ben er,’ zei Ilias.
‘Blijf je?’
Ilias keek naar het zwarte hout boven hem. ‘Tot het einde.’
En hij wist, met een journalistieke precisie die hem tot in zijn merg raakte, dat dit zijn straf was. Niet de dood, niet de gevangenis, maar de eeuwige aanwezigheid van degene voor wie hij zijn menselijkheid had opgeofferd.
Het schip zette koers naar het westen. De zon kwam op over een horizon die geen belofte meer inhield, alleen een herhaling van hetzelfde verzuim.
In de souk van Tanger vond de koopman een achtergebleven rolstoel. Hij keek ernaar, haalde zijn schouders op en begon de onderdelen eraf te schroeven. Alles had waarde, zolang je wist hoe je het moest ontleden.
De koperen schaal in de krat bleef glanzen, ook al was er geen licht om het te vangen. Het was een stil protest tegen de nacht. Een overbodig object in een wereld die alleen nog in functies dacht.
Ilias legde zijn hoofd neer. De wroeging was nu zijn enige kompas. Het wees altijd naar huis. En huis was de plek waar hij de eerste hand had losgelaten.
Michael Vonk

@ Els Kort
@ Els Kort

