Standplaats Berlijn

Ilona Verhoeven

1
Standplaats Berlijn

Frisse lucht

Het ligt vast aan mij dat ik de afgelopen weken het liefst onder een struik of in een boom wilde verdwijnen. In gedachten, moet ik toegeven, zat ik er af en toe zelfs. Als een kiezelsteentje in de stadswoestijn, bij regen weggespat uit het asfalt, knalhard een plantsoen in. Via het gepantserde dak van een toevallig voorbijrazende Mercedes of een andere degelijke Duitse wagen, páts, en dan maar afwachten. Tot het beter zal gaan worden. De weken rijgen zich aaneen en het aantal dagen waarin Oekraïne onder vuur is genomen door Rusland is inmiddels de honderd ruim gepasseerd. Anders dan met corona-lockdowns, die een vreemde anfeuernde werking op me bleken te hebben, lijk ik met de invasie in de Oekraïne van binnen compleet stil te vallen.
    Frisse lucht helpt, dus begeef ik me in het weekend naar het Museuminsel. Even rondkijken op de markt, bij de kramen met de bananendozen vol met oude boeken. Een duik terug in de tijd, in mensenlevens, geregeld liggen er hele verzamelingen. Het komt voor dat ik me bewust ben van wat er met de rijen en stapels in mijn kamer zou kunnen gebeuren, ik moet er niet aan denken, maar ik troost me met het idee dat liefhebbers dan hun vondsten kunnen doen, net als ik nu.
    Het striemende geroep van gierzwaluwen vult de hemel, het heeft iets geruststellends, het geluid van vogels die elk jaar weer terugkomen, alsof alles altijd weer goedkomt en je daar niet aan mag twijfelen, het geluid van vrijheid, of iets wat daar op de een of andere manier aan doet denken, gierzwaluwen komen per slot helemaal uit Afrika, ze passeren grenzen zonder zich er iets van aan te trekken, grenzen bestaan niet. Zwierend en gillend hebben ze iets zorgeloos over zich, ze lijken plezier te beleven aan het mooie weer – laten we gaan, het is zomer, hallo zon, hallo stad, hallo allemaal, de zómer is er!
    En prompt zie ik onbewust een titel die het tegenovergestelde suggereert. Zul je net zien. Heb ik weer. Tussen een rijk geïllustreerde Readers Digest-uitgave over zakhorloges en een paar scheef gelezen detectives valt mijn oog op Winterglück. Een blauw boekje. Gedichten van Friederike Mayröcker. Terwijl om me heen de vaste klanten, echte boekenfreaks – voornamelijk mannen, veel baarden en vette, afgedragen jassen – werktuigelijk hun handen door de dozen laten gaan, boeken zoeken is noeste arbeid, sla ik de bundel open, die begint met auf den Boden, und in den Wolken in Mai. Het is een titel, hoewel de zin eerder iets weg heeft van een dichtregel. Een regel alsof je ergens middenin valt, net als het gedicht zelf, dat iets terloops heeft. Het is maar kort en eindigt met drie puntjes:

da fliegt mir
das Auge davon diese
Ringeltaube in die Allee mit den dunklen knorrigen
Stämmen, den grünen strömenden
Wipfeln, den bunten jubelnden
Tieren, in finsteren
Tropfen der Wasserfürst Füße
mit Schnauze während
im Mohrengewande
ich…

Die puntjes doen het ’m, geloof ik, ja, die Mayröcker moet mee.

Als ik ’s avonds met mijn ‘boekje in een hoekje’ op het balkon zit, lekker buiten, vanwege, je weet wel, durchatmen zeg maar, hangt de warmte als een sluier om me heen. De stenen van de opgewarmde buitenmuren stralen nog na van de dag.
    Beneden suist om de paar minuten een tram langs. Het verkeer beweegt zich in stromen, het lawaai ebt steeds duidelijker weg. Het gezang van een merel neemt het over. Hij heeft een plek gevonden op een dak aan de overkant, precies in het midden van een zendmast. Het is een afgrijselijk ding met allerlei uitsteeksels dat als een reusachtig vijandig insect met uitgestoken tentakels stil zijn kansen afwacht, een krijger van een andere planeet die ik verafschuw en tegelijkertijd niet meer zie. Ik heb mezelf geleerd verder te kijken dan het angstaanjagende obstakel, in de richting van de Eberswalder Straße, waar het uitzicht eindeloos is, op een hijskraan na, in Berlijn is er altijd wel ergens een hijskraan.
    De horizon is in een knallend oranje zweem gehuld, alles in de verte is wortelkleurig. Ineens scheert een hele groep zwaluwen over het balkon, vlak langs me, een bende zwarte sikkels net voor de schemering invalt. Zo gaat het iedere avond, meteen na dit soort luidruchtige duikvluchten winnen ze hoogte en verdwijnen de vogels in de nacht.

Nie wieder Krieg

En toen was het oorlog. Toen ja, lang geleden. Maar op de groepsapp van het huis gaat het over een bom. ‘We vallen er net buiten’, lees ik. Een plaatje van het gebied achter het Anton Saefkowpark toont de precieze plek. In de Berliner Morgenpost was het eerder die dag goed voor een klein berichtje: ‘500-Kilo-Weltkriegs-Bombe in Prenzlauer Berg entdeckt’. Het oude gebouw van de Netto-supermarkt is afgebroken en tijdens de bouwwerkzaamheden bleek er een ‘Fliegerbombe’ in de grond te zitten. De Berlijnse explosieve opruimingsdienst komt hem onschadelijk maken. Voor de zekerheid moeten in een straal van tweehonderdvijftig meter bewoners hun huis uit. Dat zijn zo’n tienduizend mensen. Wij zitten daar dus niet bij, net niet.
    De stemming op de app is gelaten, er klinkt wat ongeloof door over de vreemde samenloop van omstandigheden. Het is dezelfde dag dat Rusland Oekraïne is binnengevallen. ‘Krieg in Europa!’ kopte de Berliner Kurier in chocoladeletters.

Vanaf die dag is de Brandenburger Tor gehuld in een blauw-gele lichtbundel, de kleuren van de Oekraïense vlag, als protest tegen de plotselinge invasie van Poetins troepen in Oekraïne. Tegenstanders laten er hun stem horen, elke avond klinkt het luider. Stop de oorlog, stop Poetin. Maar hoe?
    In een paar dagen tijd staat alles op scherp. Terwijl de Bondsdag voor het eerst in de geschiedenis op zondag vergadert en besluit om per direct honderd miljard euro extra voor defensie uit te trekken, verzamelen zich in de omgeving van de Reichstag grote groepen mensen. Ze lopen, ze fietsen, ze stappen uit bussen, uit auto’s, wandelen vanaf metrostations. Iedereen is onderweg naar de demonstratie, een initiatief van mensenrechten- en vredesorganisaties. Om steun te betuigen aan Oekraïne, om protest te laten horen tegen de Russische aanval, om zorg te uiten, om te zeggen dat vluchtelingen welkom zijn.
    Al bij Alexanderplatz zijn er fietsfiles. Op de Unter den Linden is het overvol en in alle drukte fietst Ina ineens naast me. We zijn beiden collagisten, maar door Corona hebben we elkaar al heel lang niet gezien. Beiden zijn we verbaasd dat dit de plek en het moment is dat we elkaar treffen. We fietsen een stukje samen op, verliezen elkaar daarna weer uit het oog.
    Eenmaal bij de Brandenburger Tor is er bijna geen doorkomen aan. Bij de overgang naar de Pariser Platz kan de stroom maar amper tot stilstand komen. ‘Ich hab grün!’ meldt een automobilist geërgerd uit zijn openstaande raam. ‘Wir haben blau-gelb,’ hoor ik naast me. Of de man achter het stuur het ook gehoord heeft, is de vraag. Zijn wagen is al bij de Amerikaanse ambassade.
    Iedereen is op weg naar de Siegessäule midden in Tiergarten – overigens een oorlogsmonument, maar intussen meer bekend als de grote gouden engel uit de film Der Himmel über Berlin.

stop the war

Allerhande protestborden, gele en blauwe ballonnen, vlaggen, beschilderde gezichten en met leuzen opgetuigde kinderwagens komen samen op de Straße des 17. Juni. OMA’S GEGEN KRIEG staat op een gelamineerde A4 om de nek van een vrouw. Klare taal, net als FRIEDEN FÜR DIE UKRAINE JETZT, dat een andere, veel oudere, dame fier boven zich uitsteekt. Het is een handgeschreven bordje dat kracht uitstraalt. Meestal is STOP WAR, NIE WIEDER KRIEG of eenvoudigweg FRIEDEN de boodschap. TESTOSTERON NEANDERTALER STOPPEN staat op een bord dat tegen een kinderwagen geleund staat. En passant enige psychoanalyse is nooit weg.
    Net buiten het gewoel zit een kind op een boomtak, een protestbord op de arm. De jonge demonstrant geeft Poetin persoonlijk een veeg uit de pan: ANGRY OLD MAN, YOU ARE HISTORY!
    Vol overtuiging woorden neerpennen, misschien helpt het.

Stop de war 2

Zapata

Hij zingt aria’s op de mountainbike, de zanger. Zo te horen fietst hij rondjes. Hij is al twee keer langsgekomen.
    De meeste mensen zijn te voet onderweg. Twee vrouwen op leeftijd wandelen in een sloom tempo. Een van hen loopt compleet gebukt. Het leven kan zwaar zijn.
    Ze praten fluisterend. Ik kan de stemmen goed horen. Is dit hoe een geweten spreekt, vraag ik me af. Ik moet minder peinzen en piekeren, maar het gebeurt. Hoe scheef zal ik lopen als ik zo oud ben als zij?
    Snel verleg ik mijn aandacht naar wat er verder nog voorbijkomt. Een kleine wit-met-bruine hond. Meer bruin dan wit. Korte haren, lange staart, net geen teckel, net geen Jack Russel. Hij wordt toegesproken met ‘Luna’. Zo heet hij dus, Luna. Alles gaat in het Spaans. Even ben ik in het El Retiro Park en niet in Tiergarten. Zapata! hoor ik een paar tellen later vanaf het grasveld achter me. Ja, Luna, Zapata. Is toch oneindig veel mooier dan ‘Gib Pfötchen’ of ‘pootje’.

Een jogger passeert het bankje waarop ik onzichtbaar zit te zijn. Het is een vrouw met een overdreven afgetraind lijf, haar postuur is tenger als een jongenslichaam. Ze rent springerig. Dat komt waarschijnlijk door de schoenen die haar voeten reptielentenen geven. Schoenen vormgegeven als sokken. Dit soort barfußschuhe zijn aardig populair, er zijn door de hele stad speciale winkels waar ze te koop zijn.
    Het jaar is nog jong, vorige week sneeuwde het, en nu ruikt de winterlucht toch al naar lente. Niet vanwege de geur van bloesems, die er wel al zijn, maar eerder door een soort kou die je ondergaat. Iedere stad heeft een eigen geur en deze stad adem ik al vele jaargetijden in en uit. De herkenbaarheid van het onzegbare, wat er al eens was, weg ging, en zich opnieuw aandient. De tijd en omgeving in een sierlijk maar onleesbaar handschrift. Het leven tussen de regels.

Twee vriendinnen nemen plaats op de bank rechts van me. Het kunnen ook zussen zijn. Zelfde donkerblonde haar, zelfde lengte, beiden dragen ze rood.
    ‘Misschien moet je dat oude ding gewoon verkopen’, stelt de een de ander voor. Ze hangen over de rugleuning van de bank alsof hun bovenlichamen van rubber zijn, het hoofd in de nek. Toch merken ze een rakelings overscherende buizerd niet op. Ze slaan ook geen acht op de jongens die kijken alsof de kleur rood pijn doet aan hun ogen. De vriendinnen drinken bier. Dat is bijna een vereiste als je in deze stad en route bent, bier drinken. Op straat. Er zijn liefhebbers die zodra ze in Berlijn aankomen, de eerste de beste Späti inschieten om het verlangen naar een fles te stillen. Het gaat niet zozeer om de alcohol, als wel om de fles. Het vasthouden. Pas als je de flessenhals tussen de vingers voelt, ben je echt aanwezig in deze stad. Het drinken komt op de tweede plaats. De vriendinnen slaan hun laatste bier achterover en zetten hun flesjes op de grond, onder de vuilnisbak.

In de richting van een kale boomkruin werkt zich een vogeltje omhoog. Een boomkruiper. Ik volg hem zo ver ik kan en betrap me op een gedachte die in dit soort gevallen altijd hetzelfde is: geweldige schutkleur.
    Naast me buigt een man zich voorover, pakt de twee lege bierflessen en laat ze geruisloos in een boodschappenkarretje glijden. Ineens was hij er, als afkomstig uit een of ander niemandsland. Een provisorisch ingebouwde plastic stellage in zijn kar voorkomt glasgerinkel.
    Tussen het gekwetter van kool- en pimpelmezen door klinkt de roep van een boomklever. Hij zit dichtbij, zijn bonte veren zijn schitterend, goed zichtbaar is zijn oogstreepje. Zorro in de boombast.
    De klep van boodschappenkar slaat weer dicht. Hasta la vista. Terwijl de zoeker zijn tocht vervolgt, boezemt hij bijna ontzag in. De volharding, het snel kunnen beslissen, het overboord zetten van gêne.

De aanhoudende roep van de boomklever doet vermoeden dat er iets dringends is, maar er is echt niets dringends. Ik stel vast dat de boomklever in veel opzichten compleet het tegenovergestelde is van de boomkruiper. Ook zijn manier van bewegen: de looprichting van de boomklever is van boven naar onder. Met zijn lijfje helt hij meestal naar voren, alsof hij onderdeel is van een trapeze-act. Eentje zonder touwen, want hij kan natuurlijk vliegen. Als een aantal meters verderop de klep van de boodschappenkar weer opengaat, zie ik een arm in een vuilnisbak verdwijnen. Een haastig, geroutineerd aftasten. De eigenaar van de arm lijkt bij het weglopen bijna doorzichtig te worden. In gedachten steek ik mijn hand uit. Compañero.

Meubilair

Het komt aan het licht nu het niet meer zo makkelijk kan, er een gewoonte op nahouden. Zodra zich bij een koffietentje een geschikte plek bij het raam aandient, naar binnen schieten. Een Milchkaffee bestellen. Achteloos een notitieboekje uit de zak halen en af en toe iets neerkrabbelen.
Eerder zou ik mezelf nooit zo genoemd hebben, maar ik kan er niet meer onderuit: ik ben een caféschrijver.

Zoals met veel gewoonten, heb ik zelf amper in de gaten hoe het zich voltrekt. Het begint met doelloos door de buurt wandelen, ja, dat is een onmisbaar deel van de schrijfklus. Eenmaal binnen blader ik bij de koffie door de Tagesspiegel of de Berliner Zeitung – ik ben gek op de papieren krant, waarvan er in deze stad in vrijwel elk café meerdere ‘dagvers’ te vinden zijn – en met enig geluk dienen de woorden zich aan, of niet. Ondertussen doe ik zittend wat rekoefeningen op de bank waar ik ben neergestreken. In een van mijn favoriete cafés staat een bank die zitplaats biedt aan een groot deel van de klandizie, omdat het ding langs de lengte van de muur doorloopt. Het doet me denken aan de oude koffiehuizen waar ik zat in mijn studententijd in Wenen. Wat had ik nu graag een bankjesverhaal verteld, maar hee, zo’n schrijver ben ik dan weer níet.

Op een gegeven moment trek ik mijn laptop uit mijn tas en begin te tikken. Soms wel urenlang. Ik bestel dan na een tijdje, of zelfs heel snel, heus nog eens een koffie. En een paar brezels. Of, als het lekker gaat, een hele Frühstück. En dan doortikken. Eerlijk is eerlijk, er zijn perioden geweest dat thuis de kachel uit kon blijven, en het in het koffietentje warm was. Maar dat is niet de essentie van het naar buiten gaan om zomaar ergens neer te strijken.

Lass es dir schmecken, zegt de eigenaar van mijn lievelingscafeetje als hij een ontbijt uitserveert.

Ik heb geen vaste tijden dat ik op deze manier schrijf. Ik ben er als het niet al te druk is. In de weekends, als hele families samen ontbijten en lunchen, dan hoeft het voor mij niet. Ik ben er ook als er bijna niemand meer is – het is toch een beetje de kunst van het meubilair worden. Als het geroezemoes verstomt, blijven alleen nog een storende radio, een rommelende afwasmachine en een vermoeid zoemende koelkast over.
    Aan het eind van de dag hebben de café-eigenaren gelegenheid voor andere dingen. Soms maken ze een praatje. Dat ze het roddelblad Gala zo graag leest, vertelt de vrouw die naar eigen zeggen de beste fruitshakes van de stad maakt. Vakliteratuur, lacht ze. In het Bötzowviertel wonen tal van acteurs en andere bekende gezichten uit de mediawereld.

In de koffiebar op de hoek is nog administratief werk aan de winkel. De uitbater neemt plaats aan een lege tafel naast me, met een grote map en zijn laptop. Als ik een paar minuten later opkijk, zie ik dat hij in slaap is gevallen. O ja, natuurlijk: een powernap.
    De jongen van het tentje waar ik het vaakst kom, kondigt aan dat hij in de kerstvakantie naar huis gaat. Naar huis is naar Bosnië. Hij blijft lang weg, tot eind januari. Ik probeer me voor te stellen hoe het op het moment is in die regio en staar wat naar de schildering van de brug van Mostar die sinds afgelopen zomer de hele muur bestrijkt. Om de paar weken hing er iets anders aan de wanden, telkens nieuwe exposanten, en op een dag was er die brug.
    Berlijn kan hij niet missen, zegt hij ongevraagd. Ondanks de stilte van de lockdowns. Die waren hem een gruwel. Kun je niet héél even blijven zitten, had zijn vrouw op een gegeven moment vertwijfeld uitgeroepen. Nee, zegt hij nu tegen mij, ik moet iets doen, dat ben ik gewend. Ik kan het gewoon niet, de hele tijd thuis zijn.

In het najaar van 1989 ging Ilona Verhoeven voor het eerst naar Berlijn, op schoolreis. Van de demonstraties die toen in de aanloop naar de val van de Muur plaatsvonden, kregen zij en haar klasgenoten niet veel mee. Maar de sfeer en fascinerende geschiedenis lieten haar niet los.
Inmiddels is Berlijn al vele jaren haar Wahlheimat. De stad is een grote inspiratiebron voor haar werk en speelt bijvoorbeeld ook een rol in de verhalenbundel In het licht (uitgeverij In de Knipscheer, 2019).
Ilona Verhoeven (Amsterdam, 1974) is literator, journalist, kunsthistoricus en podcasthost. Ze was in 2020/2021 als writer-in-residence verbonden aan het Suffering Matters Festival in Nijmegen. In de zomer van 2021 was ze gastschrijver op de Wolkerstuin.