Standplaats Almere

Ishana Sayag

 

Aan de verliezende hand

In januari 2022 kreeg mijn vader corona. Fysiek afstand bewaren was geen probleem, hij woonde immers 4500 kilometer bij mij vandaan: ik in Almere, hij in Kfar-Saba, Israël, mijn geboorteland.
     Ik belde dagelijks. Hij zei dan zwakjes dat hij in orde was: wat koorts, wat hoesten, wat pijn, dat was alles. Met Gods hulp zou het snel voorbij zijn. Op de goede dagen duurde het een volle halve minuut voordat hij zei: ‘Hier heb je je moeder’, met een wegebbende stem omdat hij haar de hoorn al aan het overhandigen was. Waarop zij riep: ‘Praat nou eens gewoon met je dochter!’ Bellen was nooit aan hem besteed, verspilling vond hij dat, van tijd, van geld, van energie. Het leven was zoals het leven was, daar viel weinig over te zeggen.

Ik wilde op ziekenbezoek, mijn vader zien – hij was toen 84 – en mijn moeder helpen met de bijgekomen zorgtaken, maar ik twijfelde. Als je zo ver van je familie woont is het altijd wikken en wegen, zoeken naar de balans, en nog meer in coronatijd. Wanneer is ziekte zo erg dat de situatie ondanks de uitgebreide beperkingen toch een vlucht vereist? Griep is niet erg genoeg, maar wat dan wel? En wat als het slechter is dan het lijkt en jij niet aan zijn zijde staat? En niet alleen de pandemie, ook het dagelijks leven speelt een rol in dit precaire evenwicht. Een familiebezoek betekent mezelf tijdelijk losmaken uit mijn leven hier. Bovendien is het met man, kind, hond en werk veel geregel om er even tussenuit te kunnen, om nog maar te zwijgen over de financiële gevolgen van zo’n reis. In tijden van grote vreugde en verdriet is elke kilometer die ons scheidt voelbaar. Omdat ik in een ander land woon is mijn grootste angst dat mijn ouders sterven en ik niet op tijd bij hen ben tijdens hun laatste dagen, om hen (en mezelf) te helpen de overgang naar het hiernamaals zo soepel mogelijk te maken, en om afscheid te nemen. Elke dag aan de telefoon vroeg ik ma naar de laatste update, ontvankelijk voor elke nuance in haar stem, en hield zo de vinger aan de pols.

Mijn vader zat weliswaar in isolatie, maar het coronavirus dat tijdelijk in hem huisde, deed dat niet. Het verspreidde zich naar alle hoeken van zijn lichaam, op zoek naar gezelschap om mee te spelen of te plagen (iets wat pa ook graag deed), en het vond van alles. Zijn bestaande suikerziekte werd erger, hij kreeg last van zijn ogen, zijn voeten. Toen kwam de gordelroos in zijn benen die ook zijn levensvreugde wegnam. Wekenlang treiterden de blaren hem. Zijn gevoelszenuwen kwamen in opstand en reageerden met spontane elektrische scheuten door zijn benen. Nu beantwoordde vooral mijn moeder de telefoon en hoorde ik hem op de achtergrond janken van de zenuwpijn. Mijn pa huilend, dat had ik maar één keer eerder meegemaakt.
    ‘Hij huilt vreemd,’ vertelde mijn ma in februari. ‘Het huilgeluid is er, maar er zijn geen tranen. Ik dacht eerst dat hij het deed om aandacht te krijgen, maar hij huilt echt.’
    ‘Zal ik komen?’ vroeg ik.
    ‘Dat is niet nodig,’ zei ze. ‘Het gaat langzaam de goede kant op. En je kunt toch niets doen: hij laat niemand behalve mij de crème op zijn benen smeren, zelfs je zus niet. Je kent je gekke vader. “Ik ben met jou getrouwd!” zegt hij dan.’

Ook al droogden de blaren op zijn benen langzaam op, pa werd niet beter. De ondraaglijke zenuwpijn bleef. Na weer een ronde onderzoeken kwam op de laatste donderdagmiddag van februari het vernietigende woord.

Ik was thuis een online werkvergadering aan het bijwonen toen de telefoon ging. Het was mijn oudste zus. Ik bel haar straks wel, dacht ik. Nog geen drie minuten later kwam er een telefoontje van mijn tweede zus, die net als ik in Nederland woont, gevolgd door een kort appbericht: ‘Neem alsjeblieft zo snel mogelijk contact op.’ Dat kon niet goed zijn. Ik verontschuldigde me bij mijn collega’s en belde mijn zus in Israël.
    ‘Pa heeft kanker,’ was het enige wat ze kon uitbrengen voordat ze in tranen uitbarstte. Ze wist nog niet precies hoe en wat, maar één ding was zeker: pa was aan de verliezende hand.
    Daar stond ik, in het midden van mijn werkkamer, verward, en ik probeerde het nieuws toe te laten. Mijn man op het werk, mijn dochter in haar studentenbestaan. Ik ging op zoek naar de hond.

Kanker overstijgt kennelijk elk praktisch bezwaar. Diezelfde avond al boekte ik een vlucht en twee Covid-tests, één bij vertrek en één bij aankomst in Israël, en drie dagen later ̶ na de heilige sjabbat ̶ was ik er.

Ishana Sayag (Kfar-Saba, 1970) is schrijver van korte verhalen. Geboren en getogen in Israël, volgde ze haar hart en vestigde zich in 1994 in Nederland. Schrijven is altijd haar passie geweest, en een wijze van zelfregulering. Pas de laatste jaren, en na haar Verhalend Proza-opleiding bij SCRIPTplus in Amsterdam, voelde ze zich voldoende thuis in de Nederlandse taal om die als voertuig voor haar korte verhalen te gebruiken. Ze heeft gepubliceerd in Extaze en Azra Magazine en werkt momenteel aan haar eerste roman. Verder is Ishana moeder, procesadviseur en een enthousiasteling van mindfulness en NVC (Non-Violent Communication). Ze woont in Almere met haar partner en hond.