Aardbeien in de winter
Kort verhaal
Het was niet zo dat ze zich maar een paar dagen vergist had, wat je je bij een dode zou kunnen voorstellen. Als je een leven lang geleefd hebt en je bent net een paar dagen overleden, dan is het niet zo vreemd als je per ongeluk toch weer even tot leven komt, omdat je de dood nog niet zo gewend bent. Je staat op, trekt de gordijnen open, strikt je veters, en als je net het huis uit wilt, schrik je van de macht der gewoonte, keer je schielijk terug naar de onderwereld.
Maar zo was het dus niet. Ze was al jaren dood en hij was allang verhuisd naar de grote stad, om te ontkomen aan de eenzaamheid die ze had achtergelaten. Het kleine huis aan de kust waar ze samen zoveel jaren hadden doorgebracht, zat tot aan de plafonds toe vol met herinneringen, die de eenzaamheid voor hem nog groter maakten. Zelfs op de zolder brachten de ongrijpbare bewegingen van motten in het stoffige licht van een los bungelend peertje haar terug. Eerst de schrik en grote frons als ze weer een gat in een van haar hemdjes had ontdekt. Doodzonde, kijk nu toch, precies op mijn borst! Ook als ik de gaatjes stop, blijf je het zien! Daarna die relativerende lach, want het huis deelden ze dan toch maar mooi met die glasachtige gevleugelden en wie kon er nu de meeste aanspraak maken op het huis? De motten woonden er misschien al langer dan zij. Dat gunnende, zelfs aan de meest onaanzienlijken van het aardrijk, dat was zo typisch zij.
De motten fladderden ook jaren na haar dood nog op de zolder rond. Het was niet per se daarom dat hij was verhuisd. Wel was hij iedere keer weer uit zijn doen als de herinneringen hem overvielen. Eerst stommelde hij dan hoofdschuddend en mopperend de trap af. Vervolgens dronk hij meestal net iets te veel, terwijl hij wist dat hij zich daarna alleen nog maar ellendiger zou voelen.
Nee, het kwam door de advertentie die hij een jaar of acht na haar dood in de krant vond. Eerst dacht hij dat hij een oude krant te pakken had, omdat hij nogal eens wat liet slingeren. De foto van het huis was precies dezelfde als die van enkele jaren voor haar dood. Hij had Lies destijds de foto laten zien en de tekst van de advertentie voorgelezen. Terwijl hij werkelijk een onverklaarbare aantrekkingskracht tot het pand had gevoeld, had zij in slechts een paar woorden zijn enthousiasme weggewuifd. Midden in de drukke stad en toch veel te klein, nog nét geen poppenhuis! Zoiets had ze gezegd. Het huis was inmiddels allang verkocht. De krant zag er echter te nieuw uit om de oude te kunnen zijn. De datum bevestigde dat. Het pand stond opnieuw te koop. Hij had zijn bril gepakt en herkende de beschrijving van het huis. Misschien was de tekst half overgenomen uit de vorige advertentie. De keuken en badkamer waren inmiddels gemoderniseerd, stond er. Dat wel. Hij hoefde er niet lang over na te denken.
In een paar maanden tijd was hij verhuisd. Veel van de spullen had hij niet mee kunnen nemen, maar hij had ook niet veel nodig. De herinneringen bleven in zekere zin, ook in de nieuwe omgeving, maar ze waren veel beter te verdragen, omdat ze niet resoneerden in de schilderijen aan de muren en de lampen aan de plafonds. Bovendien voelde hij zich veiliger, ingebouwd tussen al die andere eeuwenoude huizen. Minder eenzaam ook. Al had hij nauwelijks contact met de buren, hij zag ze wél en hij voelde zich gezien.
Het was van haar dus niet zomaar een kleine vergissing van een paar dagen en juist daarom had hij geen idee hoe hij haar moest benaderen toen ze op een morgen aan de kleine tafel in de keuken de krant aan het lezen was. Gek genoeg voelde het zo vertrouwd, dat hij er eerst geen erg in had. Hij wilde theewater opzetten toen hij nogmaals achteromkeek. Verrek, ze zat er echt! Ze was, zoals altijd, verdiept in de boekenbijlage en keek niet op of om. De schrik sloeg hem om het hart. Dit was te gek voor woorden! Ze had nooit in dit huis gewoond. Hoe kon ze hier dan zomaar opdoemen? Om zichzelf wat bedenktijd te geven, voerde hij zo onopvallend mogelijk zijn normale handelingen uit. Terwijl het water opwarmde, pakte hij alvast de theepot en hing er twee zakjes in. Even twijfelde hij. Zij had nooit zo van sterke thee gehouden. Voor de zekerheid haalde hij het tweede theezakje eruit en legde het op een klein schoteltje op het aanrecht. Hij kon het hergebruiken.
Terwijl ze, met de rug naar hem toe, licht gebogen over de krant zat, keek hij zijn ogen uit: haar haren losjes opgestoken, de jurk met de grote strook onderaan, alsof er werkelijk niets veranderd was! Straks zou hij de theepot op de tafel zetten en de glazen pakken. Wat moest hij tegen haar zeggen? Ze zat op zijn stoel en dat was wel een beetje vervelend, want aan de andere kant van de tafel stond alleen nog de kruk en daar kon hij met zijn heup niet meer zo goed op zitten. Maar hij kon haar onmogelijk vragen van plaats te wisselen. Lang blijven staan was voor hem niet te doen, maar was voor nu misschien toch de beste oplossing. Het water begon te koken en met een licht bevende hand schonk hij het in de pot. Het zakje schoot er met draadje en al in. Uit de la pakte hij een vork om het weer op te vissen en klem te zetten onder de deksel.
Moest hij wachten tot zij zou beginnen met praten, of zou hij het voortouw nemen? Talloze mogelijkheden schoten door zijn hoofd, die hij stuk voor stuk verwierp. God, Lies, waar kom jij nu toch ineens vandaan? Dat kon echt niet. Waar ben jij al die tijd geweest, hoe heb je het daar gehad? Waarom ben je hier? Niets klonk passend bij deze nogal bizarre situatie. Moest hij dan maar gewoon aan tafel komen zitten alsof er niets aan de hand was? Maar dan zou ze straks nog denken dat ze hier kon blijven en dat was onmogelijk. Hij dacht aan de kleine slaapkamer en het nieuwe bed. Eenpersoons.
Hij kon beter ongemerkt de keuken weer uit glippen en terug naar boven gaan. Misschien toch nog even proberen te slapen? Dat kon geen kwaad. Hij had niets te doen en er was niemand die op hem wachtte. Dan gaf hij haar de tijd om zelf achter haar vergissing te komen en dan kon hij straks weer op zijn eigen stoel zitten als ze weer verdwenen was.
Inmiddels was ze opgestaan. Ze stond achter zijn stoel en keek hem aan.
‘Misschien ga ik toch nog wat aardbeien halen op de markt?’ Haar stem was niets veranderd.
‘Denk je echt dat er aardbeien zijn in de winter?’ hoorde hij zichzelf een tegenvraag stellen.
‘Niets is onmogelijk,’ glimlachte ze.
Dietske Geerlings
Foto: Els Kort

@ Els Kort



