Berichten uit
Nepal en India
Pieter van den Broeke

Nepal: Aflevering 6

Bardia, 5 maart 2026
Onze open jeep stopt abrupt op het stoffige bospad. Een moment is het doodstil, dan klinkt tussen de bomen en struikgewas een korte, schrille kreet. ‘Deer…’ fluistert Bale, onze gids, ‘tiger must be nearby.’ Hij richt zijn telelens op een punt recht voor ons, ik volg zijn voorbeeld. We wachten zwijgend. Een minuut, drie minuten, tien minuten.
Een beweging veertig, vijftig meter verderop. Een roodbruin axishert komt tevoorschijn, steekt het pad over en verdwijnt uit ons zicht.
Twee minuten, vijf minuten, het moment. De gouden vingers van de zon strijken langs het kreupelhout, en we staren ademloos naar de oranje, zwart en witte kop, de gele ogen die ons (?) bekijken. In één vloeiende beweging glijdt de tijger aan ons voorbij, een geladen leegte blijft achter. We juichen zachtjes. Ook Bale is onder de indruk. Tientallen tijgers zag hij van dichtbij, maar de betovering van die magische momenten kent geen slijtage.
We zijn in Bardia, een nationaal park in het westen van Nepal met een oppervlakte van zo’n 1.000 vierkante kilometer. Er leven in de jungle om ons heen ongeveer 125 tijgers (een verdubbeling in 15 jaar tijd), tientallen luipaarden en vele duizenden hertachtigen, als proviand voor de roofdieren.
Dat de tijgerstand floreert heeft een keerzijde voor de bewoners van de gehuchtjes rond het reservaat. De door de tijgers uit de jungle verdreven luipaarden zoeken hun prooi noodgedwongen in bewoond gebied, wat leidt tot geroofde geiten en biggen, spoorloos verdwenen honden en ook menselijke slachtoffers: afgelopen december stierven drie mensen in dit gebied door luipaarden.
Sonja, de Nederlandse eigenaresse van ons guesthouse, waarschuwt ons ’s avonds bij het kampvuur ook voor de neushoorns en olifanten die de omgeving onveilig maken. Vorig jaar is een gids die voor haar werkte door een neushoorn dodelijk verwond, een Nepalese vriendin van haar is onlangs door een olifant vertrapt. De tijgers veroorzaken slechts incidenteel (dodelijke) slachtoffers. Een hele geruststelling met een nacht in de jungle in het vooruitzicht. Weliswaar in een boomhut als onderkomen, maar toch.

Het lokale dierenrijk heeft mij inmiddels een andere belager toebedeeld, in de vorm van een mijt. Een geïnfecteerde larve van zo’n kreng heeft mij stiekem gebeten en zo een bacterie overgedragen waardoor ik scrubtyphus heb opgelopen, in het Nederlands overigens veel sterker klinkend onder de noemer bostyfus. Verklaart wel de koortsaanvallen en spierpijn van de laatste tijd, en is goed te behandelen met antibiotica, voorgeschreven door de lokale geneesheer, de ongediplomeerde vervanger van de vaste dokter, die zelf eigenlijk ook geen arts is. Mijn redder is tevens de vriendelijkste man ter wereld en fungeert als apotheker, waarbij z’n moeder ook ter plekke was. Het consult (gesprek, grapjes, bloedonderzoek en zes strips diverse medicijnen) vond plaats in een openbare ruimte – het hele dorp weet nu mijn bloeddruk (70/140) –, duurde van 19.30 tot 20.30 uur en kostte bijna 10 euro.
De dag hierop werden we met zachte hand maar onontkoombaar besmeurd en bestrooid met felgekleurd verfpoeder, gulal. Het Holifeest symboliseert, uiteraard, de overwinning van het goede op het kwade en wordt uitbundig gevierd. Kinderen spannen een touwtje over de weg om je tot stoppen te dwingen, waarna je wordt bepoederd en je een handjevol roepies geeft voor meer verfpoeder, snoep of een feestje later.

Belangrijker is dat de landelijke parlementsverkiezingen gisteren rustig zijn verlopen – zelfs in dit afgelegen oord stonden er rijen bij het stembureau. Iedereen werd gefouilleerd en wij mochten geen foto’s maken – en dat terwijl we ons bevinden in een schitterend pastoraal landschap, een idyllische versie van het Groene Hart, waar herders, boerderijtjes, vee en akkertjes een sfeer van ongereptheid en sereniteit oproepen.
We lopen over het platteland te midden van lemen huisjes, houten karren, spelende kinderen in watertjes en op de weggetjes (auto’s zijn hier uiterst zeldzaam), zien een traag sjokkende koe uitgelaten worden, varkens in de modder en geitjes en kippen op de erven, en denken even aan de hongerige roofdieren in het even verderop gelegen bos. En altijd weer klinkt het ‘Namasté…’ als wij passeren.
Misschien projecteren we tevredenheid en geluk op deze ogenschijnlijk lieflijke wereld waarin pijn en onvrede voor ons als buitenstaanders verborgen blijven, mogelijk veinzen de bewoners onderlinge harmonie en zachtheid, maar wat een briljante acteurs zijn het dan.
En wat genieten wij van onze rol als publiek.

India: Aflevering 5

Bodhgaya, India, 26 januari 2026
Wat feiten: Bihar is tweeënhalf keer zo groot als Nederland en er wonen 130 miljoen mensen. Volgens overheidsinstanties kampt een derde van de bevolking van de armste deelstaat van het land met ‘multidimensional poverty’, lees: én armoede én ondervoeding én analfabetisme. Meer dan 40 miljoen mensen leven in diepe armoede, de meesten zonder veel uitzicht op verbetering van hun geërfde lot. Ter onderstreping van de ambitie om de derde economie ter wereld te worden, vaardigde New Delhi onlangs een zware delegatie af naar de top in Davos. Ondertussen is Bihar nog steeds het overbevolkte, zwaar vervuilde en verarmde domein van de kastelozen, de paria’s of onaanraakbaren.

Na alle natuurlijke en culturele schoonheid waar we de afgelopen maanden getuige van zijn geweest, na alle warmte, gastvrijheid en vriendelijkheid die op ons pad kwamen, toont Moeder India ons nu een geschonden en grimmig gezicht. In de stad Bodhgaya is alles smerig en in verval, ieder stukje van welk oppervlak dan ook is stoffig en vuil, korstig en schimmelig. Het vijfsterrenhotel staat in een van muggen vergeven moeras vol uitwerpselen, tussen het plastic drijft een dood dier, een opgezwollen, onherkenbaar kadaver.

Straatkinderen schooieren tussen het afval, smoezelige handjes worden opgehouden, blikken smeken. Een kreupele hond krijgt een steen tegen z’n schurftige kop en verdwijnt jankend onder een houten kar. Hoe wreed is het karma voor de ongelukkigen die hier aan de verkeerde kant van de scheidslijn terecht zijn gekomen?

Bodhgaya is wél een triple A-locatie voor bedelaars, zeker nu, tijdens het fameuze jaarlijkse boeddhistische festival waarvoor naar het schijnt ruim tienduizend monniken, lama’s, novicen, bhikkhu’s1, abten en leken naar de stad zijn gekomen. Gehuld in rood, oranje of geel spoelen zij als een golf door de straten. Ze komen uit India, Nepal, Thailand en Japan, sommigen uit Taiwan, Bhutan of China.

Wij scharrelen drie dagen verrukt rond in het tempelcomplex Mahadibodhi, zitten onder de verre nazaat van de bodhiboom waaronder Boeddha 2500 jaar geleden verlichting heeft bereikt, we luisteren naar de gezangen en gebeden van de duizenden monniken voor vrede. Het voelt als een zachte kracht in deze materialistische, hebzuchtige en gewelddadige wereld. Dit bestaat dus ook. En dat geeft hoop op een betere wereld. Opbouw in plaats van afbraak. Liefde, mededogen en vriendelijkheid in plaats van haat en verdeeldheid.

Bij de uitgang van de tempel drommen bedelaars samen in een bonte optocht van mismaakten die uit een ver verleden lijkt te stammen, onder wie een man met een olifantsbeen, een spastische jongen in een houten karretje en vooral veel mensen met onwaarschijnlijk vergroeide ledematen.
Een grote monnik in het oranje deelt haastig biljetten van vijftig rupee (vijftig eurocent) uit. De aanvankelijk dikke bundel geld slinkt snel. De monnik verdwijnt in de verte. Hij laat een snel verwaterend spoor van glimlachen achter zich.
*

Pokhara, Nepal, 14 februari 2026
We zijn eruit: uit het Vipassana meditatie centrum. Terug in de wereld met alle plezierige verlokkingen. Na dagen stilte met tien uur mediteren per dag, met pauzes om de benen te strekken, te eten, te drinken en te slapen. Met als enige afleiding mijn eigen dagdromen en het simpele doch smaakvolle veganistische eten. En waarvoor? Toch voor de beloofde bevrijding? En dat dankzij pijn lijden in de billen bij het met gekruiste benen zitten op de harde ondergrond (ondanks drie maanden van te voren oefenen in deze positie) om bij een lichter, niet-lijdend bestaan te komen. En ja, nu kan ik dankzij deze mindfulness met een spiritueel sausje dieper en zeker langer geconcentreerd ‘gewaarzijn’. Mag ook wel na eeuwigheden mediteren. Maar vrede in het hart? Toen dhr. Goenka, de oprichter van deze beweging, weer z’n urenlange gorgelende chanten begon, voelde ik een samentrekken in m’n borst en wilde ik heel hard: ‘STILTE!!’ schreeuwen. Ik ben braaf en sowieso is niet-reageren de regel. Alleen gewaarzijn. Later hoorde ik van een mede-mediteerder dat hij het heel behulpzaam vond bij het mediteren. Dat kan dus ook.
En hoe is het nu zonder oordeel? Geen idee. Met oordeel: veel lichter en humoristischer en heel fijn met Pieter samen.
C1
‘Dikke thee’ en ‘apekool’; nog een keer ‘dikke thee’; in de verder onbegrijpelijke stroom gorgelende klanken in het Pali, de oeroude liturgische taal van het boeddhisme, lichten deze bekende woordjes op als heldere vlekjes in een diepe duisternis: eindelijk betekenis, associaties, herinneringen aan woordgrapjes. Is het Irene ook opgevallen? Heeft zij net als ik inwendig om de dikke thee gegrinnikt? Of negeert zij de video waarop S.N. Goenka, de uit Birma afkomstige, in 2013 overleden grondlegger van de Vipassana-techniek, tergend traag maar razend optimistisch in Pali, Nepalees én Engels onze onontkoombaar naderende verlichting aankondigt. ‘You’re bound to be successful, bound to be successful.’
Misschien luistert Irene naar het roffelende gedender van de springende apen op het golfplaten dak van de meditatiehal. Mogelijk is haar aandacht gericht op haar bovenlip en neusgaten, alert op het voelen van een luchtstroompje, een subtiele prikkeling van de huid, de sensatie van een jeukend plekje, onverwacht opdoemend in haar waarneming, ogenblikkelijk schreeuwend om aanraking, liefst door een scherp krassende nagel, dan even plotseling vervagend, om uiteindelijk spoorloos te verdwijnen, waarna de aandacht zich opent voor een volgende ervaring.
Maar ik kan niet weten wat zich in Irene afspeelt, noch kan ik haar zien. Haar meditatiekussentje ligt zeker twintig meter rechts van mij, aan de andere kant van de hal, daar waar de vrouwelijke deelnemers aan deze tiendaagse meditatie minimaal tien uur per dag hun aandacht naar binnen keren.
Vipassana (letterlijk ‘de dingen zien zoals ze werkelijk zijn’) is een 2500 jaar oude Indiase meditatietechniek die beoogt een proces van geestelijke zuivering door zelfobservatie in gang te zetten. De eerste dagen staan in het teken van het observeren van de ademhaling om de geest te scherpen. Als de slijpsteen van meditatie de aandacht na drie dagen voldoende heeft gescherpt, verschuift de focus naar het waarnemen van sensaties in het hele lichaam, zonder daarop te reageren. Het uiteindelijke doel, na tien dagen, is niets minder dan ‘totale eliminering van mentale onzuiverheden en het resulterende hoogste geluk van volledige bevrijding’.
Zover is deze student nog niet. Dag drie loopt ten einde en bij ‘bevrijding’ denk ik vooral aan verlossing van de actuele kwellingen die mijn bestaan domineren, hier in dit klooster aan de voet van de majestueuze Machapuchare. Op voorhand wist ik dat het zwaar zou worden. Tien dagen zwijgen, geen oogcontact, geen telefoon, boeken, fototoestel of pen. Geen lichamelijk contact of vlees om te eten, geen alcohol, NOS.nl, whatsapp of welke vorm van afleiding dan ook. Een ijzeren ritme, beginnend met de ochtendgong om vier uur, waarna de dagindeling van minuut tot minuut vastligt, tot om 21.30 de lichten doven. Dat wist ik allemaal, het ware strijdperk openbaart zich dan ook elders.
Zo zijn er de nachten, waarvan de eerste in het teken stond van brute fantasieën over hoe ik het leven zou beëindigen van mijn grijsbebaarde Nepalese kamergenoot, die luttele minuten nadat ik mij behoedzaam op de harde houten brits (bestaat zacht hout?) uitstrekte, losbarstte in een kolossaal tumult van lange, gierende uithalen, afgewisseld met melancholiek geblaf en kermend gereutel. Uur na uur hield dit aan. Mijn steeds luider geschreeuwde verwensingen bereikten zijn bewustzijn niet, hem wakker schudden durfde ik niet. Ik vroeg en kreeg de volgende dag een andere slaapkamer.
Tien uur met gevouwen benen mediteren per dag, ik had het onderschat, vooral qua fysiek ongemak. Na het eerste tamelijk comfortabele halfuur rekende ik mezelf al rijk, tot de eerste krampjes en pijnscheuten zich openbaarden. Alle daaropvolgende minuten voelden als uren, leken op dagen. Steunkussentjes voor de dijen, links iets verschuiven, minder, beetje scheef zitten om rug te ontzien. Ademhaling! In de verte blaft een hond. En nog een keer. Drie seconden interval? Dertig blafjes is dan een minuut, negenhonderd een half uur. Adem, aandacht, bovenlip. Niet te harden. Waarom moet het pijn doen? Waarom geen lekker stoeltje? En waarom heeft mijn vaste meditatieplaats nummer C1? Waarom nummers? Keuzereductie, nog minder denken.
De gong luidt. Lunchtijd. Het is elf uur, we hebben er zeven uur opzitten, waarvan vier uur op een dun matje waar het beton doorheen schrijnt. Zwijgend beklimmen vijftien mannen de 84 betonnen treden naar hun eetzaal. Buiten ons zicht gebeurt tegelijkertijd hetzelfde in de vrouwenvleugel; behalve in de meditatiehal leven de seksen strikt gescheiden. Wie weet laven de vrouwen zich nu rustend op divans aan paling en stroop, terwijl ik zittend op een wankel krukje rijst en groenten van een tinnen bordje oplepel, mijn ogen gericht op de bloedrode muur vlak voor mij, waar een geschilderd kaartje mij ‘C1!!’ toeschreeuwt. Via speakerboxen aan het plafond begeleidt Goenka onze lunch met luide Pali-teksten. Gezocht: vrijwilligers voor Noord-Koreaans concentratiekamp, denk ik.
Vannacht, de vierde nacht, heb ik besloten dat ik de morgen zal vertrekken. Niet vanwege de voortdurende been-, rug- en bilpijn (mijn voorraadje paracetamol is bijna op) tijdens het mediteren, ook niet om verlost te zijn van de urenlange, hels makende video-opnames met het drietalige Jip en Janneke- gekwezel van die zelfingenomen Burmees – die consequent benadrukt dat zijn weg de enige juiste route naar verlichting is –, zelfs niet om eindelijk weer eens een paar uur goed te slapen, maar vooral wil ik weg omdat ik bang ben voor de vreemdsoortige chaos die door mijn hoofd raast. Gisteravond trok ik mijn deken over mij heen, waarna zich een verhaal ontrolde in mijn kop. Alles wat ik de afgelopen dagen had meegemaakt uitte zich in formuleringen, in woorden, uiterst gedetailleerd, chronologisch, inclusief uitweidingen, commentaren en terzijdes. Het beangstigende is dat er geen einde lijkt te komen aan de gedachtestroom, het verhaal rent door en door; er is geen uit-schakelaar te vinden en slapen is onmogelijk, iets wat mede in de hand wordt gewerkt door mijn huidige Nepalese kamergenoot, die er genoegen in schept om een leemkleurige bivakmuts over zijn hoofd te trekken alvorens (ook) hij oorverdovend en zeer langdurig gaat snurken. Maar het is de zorg om mijn mentale welbevinden die C1 verdrijft uit dit merkwaardige oord.
Ik draag mijn rugzak de treden op, haal mijn paspoort, telefoon, geld en camera uit het kluisje, laat een briefje voor Irene achter en verlaat het terrein. De zon weerspiegelt zich in het Begnasmeer. Bij het eerste het beste stalletje koop ik een flesje rum (voor vanavond) en twee sigaretten. Ik steek er een op en ga op een steen zitten, beducht voor de duizeligheid die gaat komen. Ik ben blij dat ik weg ben, heb spijt dat ik ben gegaan, verlang naar een goed hotel, voel me een wegloper die ieder hobbeltje vermijdt, prijs mijn doortastendheid en gezonde verstand en gooi de tweede sigaret weg.
Bound to be successful. Bound to be successful.

India: Aflevering 4

Tegen drieën stappen we met onze ogen vol slaap uit de van kakkerlakken en dieseldamp vergeven nachtbus naar Indore. Op deze grindvlakte vol zwerfafval worden we straks opgepikt door onze hotelbaas, zo menen we te hebben begrepen.
3.05 uur: een op het grind geparkeerde politieauto rijdt stapvoets met gedoofde lichten een stukje achteruit en stopt vlak bij ons.
3.08 uur: de vleermuizen in de Banyanboom piepen schril wanneer een koe onder hun slaapplaats door slentert.
3:13 uur: met een klaterende straal leegt de koe haar blaas op het groezelige beton vlak achter ons. Onze rugzakken blijven nog net droog.
3.21 uur: een witte auto nadert en stopt; drie mannen stappen uit en begroeten ons. Het zijn onze gastheren van de homestay, twintig kilometer van hier.
Een half uur later liggen we eindelijk in ons mudhouse. We ruiken een vage mestgeur en vlak voordat we in slaap vallen lijkt het alsof we diertjes in een hoek van de kamer horen scharrelen.

Een viermansdelegatie van de familie Patel staat de volgende ochtend klaar om ons van thee en koekjes te voorzien. Het is fris, pa Patel steekt het vuur in de tuin alvast aan. Fikt goed, dat plastic.
Tijdens het ontbijt (stapels gortdroge witte boterhammen met fruitgelei) staart de voltallige familie ons aan, alsof ze zeldzame knaagdieren bestuderen. Dit ritueel speelt zich af in de nabijgelegen woning van Aasha Patel, die zich ontpopt als de meest dwingende van de familie, om niet te zeggen: woest irritant in zijn blaffende dominantie.
Sit! Here here! Look there! Bird! Eat! Good!
Jahaa.
We hebben hier vijf nachten geboekt.

Het doel van deze onderneming is een bezoek aan Maheshwar, gelegen aan de overkant van de heilige Narmada rivier, en ook hopen we wat tijd bij de nabijgelegen stroomversnellingen door te kunnen brengen. Het stadje wordt Klein Varanasi genoemd, vooral vanwege de ghats langs de oever waar crematies en pujas (religieuze rituelen) plaatsvinden. Maheshwar pronkt verder met het achttiende-eeuwse Ahilya Fort en een reeks imponerende hindoeïstische tempels, en is een trekpleister voor pelgrims die hun karma oppoetsen door de langste pelgrimage ter wereld te volbrengen: de meer dan drieduizend kilometer lange Narmada Parikrama. Overal zie je ze lopen, de pelgrims, de meeste al wat ouder. Vrouwen, maar vooral mannen, met in hun rechterhand een staf en in hun linker een hengsel met een roestvrijstalen beker voor water. Ze overnachten in ashrams, waar ze ook eten krijgen.
In de dagen die volgen in ons mudhouse – in feite een luxe lemen variant op de modderhutten waarin iets verderop tientallen gezinnen een schamel, tochtig en vochtig onderkomen vinden – bevechten we met veel moeite onze privacy, een voor de Patellen volstrekt onbekend concept, blijkens hun voortdurende opdringerige aanwezigheid in het huisje, maar ook in de tuin, die op een middag plots door de dorpsoudsten tot hangplek wordt gepromoveerd.
Met hulp van Google Translate lukt het uiteindelijk om een draaglijke afstand tot onze huisbazen te creëren. Wat blijft is het nachtelijk gerommel en geritsel in de kamer. We verdenken de schattige eekhoorntjes die we overdag soms in de bomen zagen scharrelen.
Op de ochtend van vertrek worden we in de tuin geïnterviewd door een lokale verslaggever, die er vooral het zwijgen toe doet en toeziet hoe Aasha Patel ons de gewenste teksten ontfutselt.
Als we een paar dagen later het resultaat in de krant zien, begrijpen we pas waarom we voor de foto een gedroogde koeienvlaai op moesten houden. Look! Shit! Good!
De vraag blijft wat de eekhoorntjes met ons verdwenen Zwitserse zakmes, een stuk zeep en een minipotje honing uitvreten.
Foto’s: Pieter van den Broeke
India: Aflevering 3
Tiruvannamalai, 12 december 2025

Twaalf ventilatoren wentelen zacht zoemend aan het hoge plafond, buiten ruziën kraaien, een hond jankt, in de verte klinken de claxons in de snikhete straten van Tiruvannamalai, een chaotisch stadje aan de voet van de door tallozen als heilig bestempelde berg Arunachala, sinds onheuglijke tijden een pelgrimsoord voor spirituele zoekers.
Hierbinnen wachten honderdvijftig westerlingen en Indiërs op wat komen gaat. De meesten zitten roerloos in lotushouding op de grond, zo dicht mogelijk bij het podium met de nu nog lege zetel. Ouderen hebben plaatsgenomen op rijen plastic stoeltjes aan weerszijden. Dan komen wij geruisloos overeind en brengen de handen voor onze borst. Als ik het plastic weer onder me voel, vouwt Ganga Maa haar benen onder zich en herschikt met minuscule gebaartjes haar beige sari. Ze besnuffelt een zakdoekje, haar ogen blijven op de zaal gericht, driehonderd ogen kijken terug. Ganga Maa kucht een waardig kuchje en zwijgt.
Kan stilte indikken, geladen worden? Zo ja met wat?
Na een schijnbare eeuwigheid (een half uur?) stelt een kaalgeschoren Westerse man in een oranje gewaad een vraag. Iets ingewikkelds over ego, het nut van meditatie en de essentie van het zijn. Meer een stelling dan een vraag. Ganga Maa glimlacht de spreker bemoedigend toe en zwijgt. Een minuut of wat later pakt zij de microfoon. ‘Je ego is een illusie van de mind. Alles wat je bent is ervaren. DIT ervaren.’ Woorden die me bekend voorkomen uit eerdere satsangs – ontmoetingen met mannen of vrouwen die al dan niet terecht claimen ‘spiritueel ontwaakt’ te zijn, dan wel zelfs verlichting te hebben bereikt.
Na nog een lange stilte zegt Ganga Maa ‘Okay’, staat op en verlaat de zaal via een achterdeur, zonder om te zien naar al die gevouwen handen en zoekende blikken.

Te midden van papier en plastic kauwende, maar nochtans zeer heilige koeien, vragen we ons even later af wat er in het voorafgaande uur is gebeurd, of misschien juist niet is gebeurd. We hebben geen richtlijnen ontvangen over hoe te leven, geen routekaart naar Nirwana gezien. Aan de voeten van de meester dwaalden onze geesten als altijd dwangmatig van herinneringen naar verlangens en weer terug. Iets minder dwingend misschien, dat wel.
Maar waar is die diepe ontspanning aan te danken die wij beiden ervaren, de aangename helderheid, de lichtheid van het bestaan, zomaar, na een uurtje stil zijn? Was dit collectieve zinsbegoocheling, pittoreske magie misschien, of is Ganga Maa werkelijk een goeroe, letterlijk ‘het licht dat alle duisternis wegneemt’?
En wat drijft deze vrouw ertoe om acht keer per week een uur lang zwijgend te kijken naar grijze koppen die snakken naar een barstje in het pantser van hun individualiteit, zonder dat zij daarvoor entree heft? Een sekte stichten kan het doel niet zijn: Ganga Maa accepteert geen volgelingen. Is dit puur onbaatzuchtig handelen, voortkomend uit een verlichte geest?

De spirituele slaappil
Hans is net klaar met het oplappen van Nandhini’s Cafe in de schaduw van de berg. Twee dagen eerder walste een bulldozer het terras van zijn restaurant plat. Zonder vooraankondiging, op last van het lokale bestuur, om ruim baan te geven aan de verwachte honderdduizenden pelgrims. De achtenveertigjarige Nederlander vat het licht op. ‘Dat is zoals het hier gaat.’
Hij heeft in zijn leven ‘nooit meegedaan in Nederland’, zegt hij. ‘Nadat mijn vader mij in 1993 had meegenomen naar India, kwam het niet meer goed.’ Hans leefde in een Tibetaans centrum in Amsterdam (‘een tijd van veel werken, eten, een bed en geen geld’), was het liefst in Frankrijk of Portugal en belandde in 1996, zoals zovele westerlingen voor hem, in Tiruvannamalai. Het was liefde op het eerste gezicht.
‘Ik voelde me hier direct thuis. De mensen… Er scheen meer licht in hun ogen. Het was toen nog een romantisch India, een mystiek India ook. Dit was een heel klein stadje, waar toen ook al seekers kwamen, maar je zat soms in je eentje in de grote hal van de Ramana Ashram1. Daarna kwam ik ieder jaar terug, vaak voor een half jaar. Sinds 2019 verblijf ik hier permanent.’
Hans was al die jaren grootverbruiker waar het ging om spirituele leraren. Zijn bestaan draaide om innerlijke groei. Over het huidige aanbod van goeroes is hij weinig enthousiast.
‘Ik denk dat het vooral een ontspannend idee is wat mensen als Ganga Maa aan ons overbrengen. Heel veel westerlingen komen hier al veertig jaar en satsangs horen bij hun leven. Maar het wordt vaak een soort slaaptoestand. Ze zijn, net als ik, bij Nisargadatta geweest, bij Papaji, bij weet ik veel wie allemaal, en telkens horen ze: ‘Wake up!’ en ‘Alles is zelf’. Het is een vorm van escapisme geworden, de advaita-slaappil. Ganga Maa is voor mij een echo van wat hier ooit is geweest, de authentieke teachers zoals Ramana. Er is van alles toegevoegd aan het oorspronkelijk eenvoudige verhaal, zoals ook bij religies gebeurt. En de meeste leraren van nu zijn wannabees die diep van binnen graag gezien willen worden of geliefd willen zijn.
Voor het tijdperk van de mobiele telefoon en voor Covid stond spiritualiteit hier centraal in de samenleving. Nu is het anders. Dat paradijs is er niet meer. Het streven naar veel geld en meer bezit krijgt nu alle aandacht.
Sinds ik getrouwd ben met Nandhini en hier woon en werk, wordt een andere kant van India zichtbaar. Ik kijk nu door de mooie mensen en de schoonheid van de rijstvelden heen en zie veel jaloezie, haat en nijd. In de dorpjes slaan ze elkaar de hersens in voor de meest stompzinnige dingen.
En het is nog steeds een door en door corrupt systeem waarin alles draait om steekpenningen, vooral op lokaal niveau. Het zijn koninkrijkjes, met burgemeesters die alles in hun eigen zak steken. Wil je een vergunning? Bribe. Wil je medische zorg? Bribe. Premier Modi probeert via digitalisering het zwarte geld tegen te gaan, maar dat kan niet in één keer, want dan stort het systeem in. En het is hoog tijd dat India eens wat aan het milieu en aan natuurbehoud gaat doen. Als het hele land wordt als New Delhi, is het afgelopen. Dan kan niemand meer ademen.’
Na een lange stilte: ‘Weet je, ik zit hier nog wel, maar ik weet niet voor hoe lang. Misschien is het tijd om verder te gaan. Maar ondanks alles blijf ik van die berg houden. En ben ik wel altijd thuis in India…’
‘Is spiritualiteit nog belangrijk voor je?’
‘Ik heb echt geen idee.’

Nepal: Aflevering 2
Chitwan, 1 november 2025

Hari kan vele gedaantes aannemen. Hij is de hoffelijke gastheer van zijn zelf getimmerde homestay in Meghauli, een gehucht nabij Chitwan national park. Daarnaast geldt de 27-jarige entrepreneur als regionale slangenvanger die je 24/7 mag bellen om pro deo een koningscobra onder je kippenren vandaan te lokken of een meterslange python uit een dakgoot te tillen, waarna hij de serpenten in de wildernis vrijlaat. Hari verplaatst zich graag op zijn knalrode Vespa scooter, steevast een parelende glimlach onder z’n gitzwarte krullen, het camouflagevest zó ver open dat zijn getatoeëerde, gebruinde borst net zichtbaar is. Hari kookt daarenboven kostelijke curries, brouwt zijn eigen raki, maakt prachtige natuurfoto’s, spreekt Nepali, Hindi, Tharu (hij behoort tot het Tharu-volk), Engels, een beetje Duits en babbelt graag een knappe parodie op Frans.
Deze homo universalis turistica stuurde zojuist zijn knarsende Suzuki jeep (1996) achteloos door lauwe regenvlagen over modderige paden. Spotify toverde de soundtrack uit een onzichtbare bron tevoorschijn, Hari zong de teksten van Dylan toonvast mee.

Nu hurkt hij in zijn rol van junglegids tussen het manshoge olifantengras en wijst op een pluizig hoopje viezigheid op de doorweekte aarde. Dit is niet zomaar poep, het is een uitwerpsel van het motief van deze voettocht: de Royal Bengal Tiger, een van 130 tijgers in dit natuurpark op de grens van Nepal en India. Het wollige pluis is wat rest van een chital hert, hun favoriete prooi. ‘Ze lusten toch ook mensen?’ komt het wat schor uit mijn mond. Hari en zijn collega Bikan sussen. Met zoveel herten in de buurt zijn wij geen aantrekkelijke maaltijdoptie. Beter hoeden wij ons voor de neushoorns, waarvan we er al enkele van de 400 exemplaren tellende populatie zagen rondscharrelen. Ze zijn legendarisch humeurig, hopeloos bijziend en verbazingwekkend snel voor een kolos van dik twee ton. Om op gewicht te blijven moeten ze dagelijks honderd kilo groen vreten. Bijgevolg zijn de bossen en de rivieroevers vergeven van grote hopen lichtbruine mest, de ideale voedingsbodem voor kleine paddenstoeltjes met een goudgeel hoedje, ‘Golden Teachers’ genoemd. Bikan heeft er een handjevol van verzameld, naar zijn zeggen ruim voldoende om het Lichtjesfeest een avondje te verlengen.


Op een grote open plek in de jungle pauzeren we voor de lunch en om onze voeten en benen te ontdoen van de bloedzuigers die kennelijk floreren op natte dagen als deze. Om ons heen zien we de rottende ruïnes van wat ooit een magneet was voor het avontuurlijk ingestelde deel van de internationale jetset. Jungle Lodge Tiger Tops werd in 1964 door twee Texanen veroverd op de jungle en was een jaar of tien de plek om – na een dagje tijgers en luipaarden neerknallen vanuit een mandje op een olifantenrug – in stijl te overnachten en te feesten in grote tenten en hoge houten villa’s. De oprichting van het nationale park luidde het einde van de jacht- en slachtpartijen in, waarna de Queen Elizabeths (zij bezocht Tiger Tops driemaal), de Bernhards en de Charlton Hestons hun bloederige heil elders moesten zoeken.

De natuur vreet het verleden weg. Schimmels woekeren, het hout is vermolmd, veel daken zijn ingestort. In wat ooit een kantoortje was staat een bejaarde typemachine, op de toetsen heeft het stof van decennia zich verzameld. Op de gebroken vloer liggen grote, verdroogde drollen. ‘Van een lippenbeer,’ zegt Bikan. Zijn vader sleepte hier een halve eeuw geleden de door roeiboten aangevoerde blokken ijs naar de kelders om de magnums Dom Perignon en de flessen Black Label te koelen. ’s Nachts hield hij de vuren bij de tenten brandend, ter afschrikking van grote katachtigen.
De tijgers hebben alle veranderingen in hun leefomgeving doorstaan. Vlakbij de resten van een opslagruimte ontdekt Hari tijgersporen in de modder. ‘Heel vers. In ieder geval van vandaag.’ Iets verderop dromt een groepje herten samen, hun oren nerveus bewegend. ‘We moeten terug,’ zegt Bikan, ‘het begint donker te worden.’
In de jeep draait Hari zich naar ons om. ‘Zal ik jullie straks yogales geven?’

Janakpur, 17 november 2025
‘Waarom gaan jullie eigenlijk naar Janakpur?’ vroeg Simon bij het afscheid. Gedurende tien steeds trager geleefde dagen hadden we een tijdelijk thuis gevonden in zijn Solid Rock, een ouderwets soort guesthouse aan het einde van een lieflijke vallei, even buiten Kathmandu. Ja, waarom eigenlijk de verrukkelijke fluisteringen van deze groene oase verruilen voor de hitte en chaos van een ongetwijfeld overbevolkte en zwaar vervuilde stad in de Terai, het aan India grenzende laagland? Als antwoord mompelden we oppervlakkige weetjes over fraaie tempels en een oeroude kunstvorm, mithila, uitgevoerd door plattelandsvrouwen. We babbelden de schaarse internetinformatie na. Meer wisten we niet over ons reisdoel.
Vier dagen zijn we nu in Janakpur. Opnieuw blijkt hoe futiel het is geweest, de mateloze digitale speurtocht naar sites en reviews over veelbelovende locaties en plaatsen. Nóg dieper zoeken naar een linkje dat zou kunnen leiden naar een wonderschoon, puur en authentiek, door slechts weinig toeristen bezocht uithoekje van het gedroomde paradijs. Koortsachtig verzamelde lijsten van begeerde plekken zijn het, bookmarks als fundamenten van een in gedachten al vele malen afgelegde route. Een reisverzekering.
Nu zou ik Simon antwoord kunnen geven op zijn vraag. We zijn in Janakpur omdat het inderdaad een stinkende, snikhete, overbevolkte vuilnisbelt is, waar oorverdovend toeterende wrakken je de stoep op jagen. We zijn nog steeds in Janakpur omdat dit de mooiste stad ter wereld moet zijn, een voortdurende onderdompeling in een warm bad vol onwaarschijnlijke kleuren en vormen. En we blijven in Janakpur omdat we weer vergeten waren dat trajecten en locaties begeerd en gepland kunnen worden, maar dat ontmoetingen uiteindelijk bepalen waarom een plek zich in je hart nestelt.

Nepal: Aflevering 1
10-10-2025

Nog geen bericht uit de bergen.
Misschien door het meestentijds alleen zijn ben ik nu pas aan het landen. Ik struikel minder vaak, de adrenalinegolven die me paniekerig naar camera, telefoon en geldbuideltje doen grijpen vlakken af, ik herken beter en sneller vriendelijkheid en glimlachen. De angstige toerist ontdooit en ontdekt daardoor de schoonheid te midden van de walmende en knetterende chaos. Dagelijks kuier ik de berg af naar de Boudhinath stupa, loop zoals iedereen rondjes rond het magistrale heiligdom, geflankeerd door eeuwenoude Tibetanen (m/v), hevig telefonerende monniken, jongeren die een paar weken terug stenen loswrikten (struikelgevaar!) en daarmee een revolutie ontketenden, toeristen uit de rest van de wereld en roedels slaperige honden. Een onafgebroken rondcirkelende stroom devotie en, ja echt, gezelligheid. En commercie natuurlijk, de eeuwige metgezel van het ommanipadmehum murmelen.
11-10-2025

Een zelfbenoemde journalist sprak mij aan: hij zou zeer vereerd zijn wanneer ik instemde met een interview. Rustig plekje gevonden, chai erbij en kom maar op met die vragen! Mijn overwegend onnozele gebabbel ontlokte kreetjes van instemming en bewondering, ik kreeg er steeds meer lol in, hoewel ik me afvroeg hoe de 82-jarige voormalig bankmedewerker mijn pronte wijsheidjes ooit op papier zou krijgen, want aantekenblok of recorder had ie niet. Zijn format vereiste dat ik het stukje zelf zou tikken. Graag t.z.t. mailen, inclusief een aardige foto uit 1986, mijn doopjaar qua Nepal. Minder bewerkelijk dan Chatgpt. Dat ik daar nooit zelf aan heb gedacht bij de krant.
12-10-2025

Nog steeds geen contact met de bergbedwingers, hoog boven de Wifigrens.
De iets te kalme berg verruild voor het rumoer van ‘Freakstreet’, voormalige residentie van meerdere generaties hippies (m/v), waar ik in een vorig bestaan kleverige hasjiesj betrok van een tamelijk ongure snaak.
Das war einmal.
De straat heet inmiddels Jhochhen Tole, bubble tea en matcha zijn de actuele genotmiddelen en hotel Nirvana Kuti huldigt een mij onbekende opvatting over het begrip paradijs, maar heeft wel een fraai tempeltje voor de deur en het buitenissige houtsnijwerk van de tempels op Durbar Square om de hoek.

Stadse fratsen dus ook, inclusief een meerdaags jazzfestival, waarvan ik de openingsavond rum drinkend heb doorgebracht in gezelschap van twee Zweedse expats op leeftijd, een magere, joviale met cowboyhoed en een bozige graatmagere, wiens zwarte petje steeds verder over z’n voorhoofd zakte, vooral toen de Oostenrijkse baritonsaxofonist als reactie op een lauw applausje dreigde nogmaals een solo in te zetten.
Tien uur, dat is nachtwerk hier.
19-10

Rajan en Zeena zijn mijn engelen hier in Bhaktapur – op de motor een half uur gaans van Kathmandu. Een week lang maak ik – langs de zijlijn, daar waar de onwetenden verblijven – onderdeel uit van hun bestaan, dat nu in het teken staat van Tihar (lichtjesfeest). Vijf dagen vol rituelen, symboliek, processies, muziek, aanbidding (kraaien, honden, koeien, broers en zussen en de godin Laxmi) en veel eten, waardoor ieder straatje, hoekje en pleintje een microkosmos is van kraampjes en stalletjes, die allemaal ongeveer hetzelfde als de buurman (m/v) trachten te slijten, een gegeven dat het heersende optimisme niet in de weg staat.

De betekenis van al die religieuze handelingen ontgaat mij grotendeels, evengoed hobbel ik gewillig mee in deze flonkerende mengeling van kerst, carnaval, Sint Maarten en oudjaarsavond. Maar dan lichtvoetiger, buitenshuis, onder de gulle zon in deze Middeleeuwse droomstad, waar zich om de tien meter een nieuwe scène vol wonderlijkheden ontvouwt, zodat mijn urenlange slentertochten vooral neerkomen op kijken en opnieuw kijken naar mensen, dingen en situaties die ik niet begrijp, maar die wel blijven fascineren, deels door de schoonheid van al wat hier gebouwd, uitgehakt en getimmerd is, maar meer nog door al die glimlachen om me heen, de zachtmoedigheid en de stralende levenslust.

20-10
Rajan en Zeena zijn jong, weten van de wereld en zitten op Insta. Khrisna Maya (zeg maar Mama) daarentegen is zeer oud. De gevolgen van een herseninfarct beperken haar bestaan tot bidden, hardgekookte eieren, bananen en oneindige hoeveelheden koekjes eten, mediteren (zij is into Bhagwan, Rana dito), Indiase series kijken en, naar ik vermoed, mopperen.
Af en toe kijkt ze me met haar ene nog functionerende oog aan, waarna ze glimlacht. Is dat vanwege die rode stip op mijn roze hoofd, een souvenir van de rituele puja, of is het solidariteit met de bezoeker die ook beperkt zicht heeft?
Mijn gejammer over oogproblemen en kapotte camera – beide mankementen openbaarden zich op de eerste dag van het lichtjesfeest – wekten de engel in Rana tot leven. Een paar telefoontjes later klom ik achterop de reeds ronkende Lee Enfield-motor, klemde mij vast aan het gebleekte spijkerjasje van mijn redder en scheurden we richting Kathmandu, naar de oogkliniek en de fotowinkel. Weer thuis trakteerde Zeena ons op een feestmaal in Newari-stijl, waarvan zelfs Mama glunderde.
Vrijdag krijg ik de ooginjectie en – als Laxmi een beetje gevoel in haar donder heeft – halen we m’n volledig genezen Sony op.


@ Pieter van den Broeke
@ Els Kort
@ Els Kort