Standplaats Casamance (Senegal)

Ines Nijs

Casamance

De trek van de grutto

Op het heetst van de dag staat de vrouw in het veld.
    Nog voor de zon opkwam is ze opgestaan. Zorgvuldig heeft ze de kleurrijkste stoffen die ze bezit rond haar magere lichaam gewikkeld en zonder te eten of te drinken heeft ze haar hut verlaten.
    Als een oranjegele vlam staat ze in het zwarte veld.
    Net op tijd was ze, want de vogels, gedreven door de honger, maakten aanstalten om te landen in de pas ingezaaide rijstakkers.
    Urenlang al staat ze daar, met in haar handen een stok en een emmer waarop ze slaat om de vogels te verjagen. Zijn ze vergeten dat de natte grond in de bolongs verderop vol larven, wormen en insecten zit, vraagt ze zich af.
    Ksss, doet ze, raagh, raagh!
    De vrouw weet niet waarom de vogels er zijn, waarom ze jaar na jaar in almaar grotere aantallen terugkeren. Vanuit de Lage Landen komen ze, vanuit de streken waar hun weides worden omgeploegd en hun legsels vernietigd. Nog voor de zomer daar ten einde is, trekken ze massaal naar het zuiden, naar de Casamance, de plek waar de vrouw is geboren, de plek waar haar man in hard labeur maar hoopvol kromgebogen over het veld stond toen de vogels er nog niet waren, spittend en scheppend in de zware aarde. Voren diepte hij uit, dammen en dijken wierp hij op. Zo herschiep hij de aarde tot een veilige schoot, klaar om de rijstkorrels te ontvangen. Dit jaar was de hemel hem genadig. De regen kwam vroeg en viel overvloedig, en de man juichte voorbarig.

Vele weken later staat de vrouw op het heetst van de dag nog altijd in het veld, in het intussen grasgroen geworden veld waar de doorhangende rijstaren de hongerige vogels lokken.
    ‘Binnenkort is het tijd om te oogsten,’ zegt de man. ‘Had ik maar geld voor kogels en een geweer.’
    ‘Helaas,’ zegt de vrouw, en ze is dankbaar dat haar man niet op de vogels kan schieten. Met hun lange rechte snavels, hun oranje kop en nek en hun bruin met witte verenkleed zijn ze mooi om te zien, en net als zij moeten ze vechten voor hun bestaan.
    ‘Als we niet genoeg oogsten, kopen we de rijst die uit het Oosten komt,’ sust de vrouw. Ze houdt van de geparfumeerde rijst die zich goed laat mengen met de smaken van haar land, met de okra en de ui, de tomaat en de pinda.
    ‘Ik hoef ze niet, die rijst uit het Oosten en die vogels uit het Westen,’ zegt de man.
    ‘Oosten, zuiden, westen, is het niet bijzonder hoe alles met alles is verbonden?’ vraagt de vrouw.
‘Met haken en ogen, zo is het verbonden, zo hangt de wereld aan elkaar,’ zegt de man.

Over thee, taal en Afrika

Herinnert u zich Onslow uit Keeping Up Appearances, de man in het witte mouwloze onderhemdje die het liefst onderuitgezakt voor de tv lag? Als hij ’s avonds honger kreeg, vroeg hij aan zijn vrouw: ‘What’s for tea tonight, Daisy?’ Want zo vragen de Britten wat de pot schaft.
    Wees gerust, over Onslow gaat dit stukje niet, ook niet over waarom de Britten de avondmaaltijd tea noemen, op Wikipedia vindt u daarover een uitgebreide uitleg.
    Het gaat over de manier waarop precies dát curieuze Britse taalgebruik verder leeft in Afrika. Over thee en taal en Afrika dus, jawel.

Mijn man en ik zijn met de taxi van Pape Georges onderweg voor een rit van een goede tweehonderd kilometer, een tocht van vier uur. We rijden van de Casamance in Senegal naar Gambia, het langgerekte land dat als een tong in de Senegalese mond ligt. In Gambia’s hoofdstad Banjul zullen we het vliegtuig naar Brussel nemen.
    Naast mij in de auto zit Ousmane, onze kameraad uit de Casamance die naar Gambia reist om een maagmedicijn op te halen. De westerse medicijnen helpen niet, zegt hij, die van de Gambiaanse sjamaan wel. Omdat ik dit landschap straks weer enkele maanden moet missen, kijk ik met een lichte weemoed uit het raam. Naar de goudgele rijstvelden die klaar zijn voor de oogst. Ze staan zo veraf van het beeld van rijstvelden dat je op Shutterstock of andere beeldbanken vindt, dat de familie thuis niet schijnt te geloven dat ik hen een foto van rijstvelden stuur. ‘Is dát rijst?’ whatsappt mijn vader, en ik voel me weer het meisje van tien dat bij hem in de klas zit en niet weet wat meanders zijn.
    Bij de Gambiaanse douaniers mogen we naar goede gewoonte onze koffers opengooien. Alles wordt bekeken en bevraagd. Alles ligt te grabbel. Dit keer gebeurt de schending van mijn privacy in een apart lokaaltje, en buigen zich geen vijf nieuwsgierige mannen over de inhoud van mijn koffer, maar slechts één vrouw. Die zich excuseert voor de rommel bovendien. Ik mag blij zijn.
    De drugs, de medicatie, datgene waar het haar om te doen is, inspecteert ze aan het eind van haar zoektocht. Omdat mijn voorschriftenblad in het Nederlands is opgesteld, haalt ze er haar mannelijke collega bij. Langdurig staart hij naar het blad. Wat ziet hij? De royale stempel van de dokter beslecht het pleit. Het blad wordt goedgekeurd, de man verdwijnt en de inspectie gaat door. Migrainepillen? ‘Headache,’ zeg ik, wijzend naar mijn voorhoofd, zware koppijn die ik na een halfuur in dit benauwde lokaal achter mijn schedel, boven mijn ogen voel kloppen. En dit? Menopauzepillen? Ze heeft geen idee wat het is, en hoe leg ik dat uit aan deze vrouw die dertig jaar jonger is dan ik? Ik leg mijn handen tegen mijn intussen ongetwijfeld scharlakenrode kaken, en de vrouw lacht, en vraagt mijn gsm-nummer voor ze me laat gaan. Ik ben geen drugstrafikant, ik heb een geldig voorschriftenblad en hoef niets te betalen.
    We laden de koffers weer in en rijden verder.
    Enkele kilometers verderop worden we weer tegengehouden. Dit keer door de Gambiaanse politie. Er ontspint zich een heftige discussie in het Wolof tussen Pape Georges, Ousmane en de twee agenten. Stemmen gaan de hoogte in, gebaren worden heviger en ik voorvoel miserie. Dan beginnen Ousmane en Pape te lachen.
    Zal het me ooit lukken om toonhoogtes, mimiek en gebaren juist te interpreteren? Wat op een ruzie leek, blijkt een spel te zijn, een steekspel met woorden. De spanning valt van me af.
    ‘Wat zeiden ze?’ willen mijn man en ik weten zodra we mogen doorrijden.
    ‘Ze vroegen geld voor de thee,’ grinnikt Ousmane, ‘c’est bizarre, je te jure! Wie vraagt er nu geld om thee te kopen?’
    In het achteruitkijkspiegeltje zie ik mijn man naar mij kijken. Ik weet wat hij denkt. Die Britten toch! Zelfs nu ze al meer dan een halve eeuw weg zijn uit dit land, slagen ze erin een Afrikaanse taal te kapen: het Wolof, de lingua franca die in West-Afrika wordt gesproken, de taal die toelaat dat miljoenen West-Afrikanen, welke taal of welk dialect ze thuis of op school ook spreken, elkaar verstaan. Behalve als het over een drinkgeldje voor het avondeten gaat.
    Dekselse Britten.

Dag des Heren

Zondagochtend in de Casamance in Senegal
Op de kerkbank voor mij zit een tiental in het wit geklede nonnen, bakens van licht. Onder hun habijt ligt een netjes gevouwen doek waarmee ze hun ‘Omo wast witter dan wit’ beschermen tegen het stof dat door de kieren van vensters en deuren naar binnen waait. De woorden van de priester stijgen en dalen, en mocht het comfort van de banken iets beter zijn geweest, dan zou zijn stem me wiegen tot ik in slaap lag. Een beginnend geroffel doet de lange preek uitgeleide en dan, eindelijk, gebeurt waarvoor wij, mijn man en ik, zijn gekomen. De lucht vibreert zacht op de klanken van de tamtam, de koorleden staan op, hun lichamen zoeken zwaaiend het ritme, en wanneer de tamtam versnelt en het volume stijgt, barsten hun monden uit in gezang, gejubel, galmend van hosanna’s, halleluja’s, tot in den hoge. De stemmen vullen de ruimte, kruipen onder de huid, ook onder die van de nonnen, die opspringen en dansend met hupse heupen getuigen van hun liefde voor God.

Dag des heren

Zondagavond in de Casamance in Senegal
Het koor dat we vanochtend in de kerk hoorden zingen, treedt vanavond op tijdens de jaarlijkse zangwedstrijd voor de katholieke koren uit de regio, georganiseerd door de lokale kerkgemeenschap. Net als vanochtend loven en prijzen de zangers de Heer, en dat is mooi, maar alle genodigden – de honderden gelovigen die van heinde en verre met auto’s en busjes, groot en klein, naar de wedstrijd zijn gekomen – wachten op iets anders. Op de hoofdact van de avond, de afsluiter van de zangwedstrijd. Niet de Heer, niet de maagd Maria, niet de priester en de afgevaardigde van de kerk zullen vanavond het grootste applaus, de warmste uitbundigheid, oogsten. Niet zij zorgen ervoor dat, ondanks de wind die opsteekt, de avond opwarmt.
    Dat doet enkel en alleen hij, de Koumpo, de bosgeest die ver na middernacht, geurend naar stro recht uit het woud, zijn opwachting maakt. Hij is gekomen om de kwade krachten die na alle gebeden en gezangen de lucht nog zouden bezwangeren, te verjagen. Samen met de onvermoeibaar zingende en dansende koorleden krijgt hij, en hij alleen, de menigte in extase. Vanop de eerste rij kijken we mee, met ons hart dat klopt in onze keel, want is dat niet het kwade dat zich ginds, boven de hoofden van de mensen, wegspoedt, vluchtend naar andere oorden?
    Wanneer we in het holst van de nacht huiswaarts keren, zegt mijn man: ‘Weet je wat, ze zijn vergeten de winnaar van de wedstrijd uit te roepen.’

Ines Nijs woont en werkt afwisselend in België en Senegal. Ze is freelance redacteur en romanschrijver. Verhalen lezen en schrijven doet ze met een bereidheid tot overgave die ze bij andere activiteiten zelden ervaart. Als schrijver kijkt en luistert ze graag naar mensen, naar wat ze zeggen en wat ze verzwijgen, naar alles wat tussen de regels valt. Haar debuutroman Onomkeerbaar werd in 2020 positief onthaald. De opvolger, De terugvlucht, verschijnt in februari 2022. Meer info op www.inesnijs.be.