Standplaats Paramaribo

Iraida van Dijk-Ooft

1
Standplaats Paramaribo

Ik voel me thuis langs de oever van om het even welke Surinaamse rivier (hier langs de Surinamerivier). Alleen, met mijn rug naar de wereld, vind ik de ruimte om mijn verbinding met de natuur en de aarde te doorgronden en mezelf te onderzoeken. Zo worden de woorden die ik later op papier kan zetten geboren.

Paars fluwelen schoenen

Hij draagt een glimmend gestreken, iets verbleekt zwart pak. Driedelig. Daaronder paars fluwelen schoenen. Op zijn hoofd een zwarte fedora. Een fragiele gestalte, zijn lichaam vult het pak niet, zoals zijn blote voeten ook zijn schoenen niet helemaal vullen. Hij loopt door wat eens de Rust en Vredestraat heette.
    Op de hoek bij de Waaldijkschool wordt zijn aandacht getrokken door iets wat hij meent te zien op het erf van de school. Een beetje beverig door de Parkinson die hij mogelijk onder de leden heeft doet hij twee stappen in grote schoenen naar de omheining om door een uitsparing in de muur beter te kunnen kijken. Vanuit mijn auto kan ik zien en bijna voelen hoe zijn stramme rug het bukken wil weigeren. Nieuwsgierig draai ik mijn hoofd, volg zijn blik. Niets.
    Zijn verschijning is historisch, heel voornaam in een wereld waar het informele en het ontklede lijken te overheersen. Misschien loopt hij er zo bij om te tonen dat hij een deftige heer is, een waar rekening mee gehouden moet worden, en niet overheen gewalst. De zilveren schijn van de huid om zijn knokige enkels en het eelt op zijn vingers logenstraffen die indruk. Hij is een man van werken geweest. Zwaar. Lichamelijk. Iemand van één dag in de maand (of misschien zelfs in het jaar) uitgaanskleren aandoen. Hetzelfde pak een half leven lang. Het is geen zondag, ik zou hem beter in context kunnen plaatsen als ik bijvoorbeeld zou vermoeden dat hij van de kerk komt.
    Zo doelbewust, zo zoekend en zonder zich ongemakkelijk te voelen. Wat ziet hij daar? De vraag neemt mij volledig in beslag, maar het licht springt op groen en ik moet doorrijden.
    Het beeld blijft me bij. Ik had willen kunnen zien wat hij zag en denken wat hij dacht, die keurig nette meneer op zijn paars fluwelen schoenen, daar spiedend door een gat in de omheining. Keek hij terug op zijn verleden? Zag hij schimmen in de tuin van de school? Hij en ik hebben onze tijd op aarde, in onze stad gedeeld, door dezelfde straten gelopen, samen de lucht van ons Suriname geroken, toch zag ik hem voor het eerst en was hij zich niet bewust van mijn observaties en overdenkingen. We hebben elkaar in ons leven misgelopen. Arme man. Arme ik.
    Ontzag, bewondering voelde ik, gemengd met een vreemd verlangen. Dat ik naast hem zou willen staan en kijken door hetzelfde gat. Mijn schimmen en mijn verleden. In zijn pak. In zijn schoenen. Die voor mij vreemde, opeens erg waardevolle man. Wat zou zich aan me openbaren? Zou ik tevreden kunnen terugblikken?
    Met de stille wens dat ik hem weer zou zien en hem volledig zou mogen kennen vind ik mijn weg door het chaotisch middagverkeer in Paramaribo.
    Dood. Misschien omdat de man in de laatste fase van zijn leven lijkt te zijn, heeft zijn beeld me aangegrepen. Die van hem. Mijn eigen dood. De dood van geliefden. Ik voel het prikken achter mijn ogen bij die gedachte terwijl de zon, die in een blauwe hemel door mijn autoruiten schijnt, de belofte doet van een gouden toekomst. Ik wil de mensen die van mij houden de genade geven dat mijn sterven komt op een moment waarop voor hen dood slechts een bijzaak van leven is. Zodat ik hen het verdriet om mijn heengaan bespaar. Alleen heb ik het niet in de hand.
    Ik heb zelf niet de luxe gehad om de dood pas dan te leren kennen. Mijn eerste kennismaking was abrupt en verpletterend vroeg. Dus wens ik uit zelfbehoud dat ik verder gespaard mag blijven van die pijn. Egoïstisch, I know, onrealistisch, I hope not. Al heb ik ermee leren leven, er overheen komen is nooit helemaal gelukt. Positieve gevoelens zijn er in laagjes overheen gelegd. Terloops, zoals de oude bank in de slaapkamer steeds meer bedolven raakt onder de kledingstukken. Eens moeten die opgeruimd worden. Ik slik, verman me. Eén man, een boel gedachten. Hoe iedereen evenveel waarde heeft. De cyclus van het leven. Wat ons allen verbindt.
    Waar er dood is, is er troost. Meestal.
    Het besef dat ik over een tijdje op eenzelfde manier zou kunnen worden gadegeslagen door iemand die jonger is dan ik komt hard binnen. Dat die door mij geroerd mag zijn zoals ik door de man, en geen antipathie zal voelen, of wordt afgestoten door mijn zwakte en ouderdom, de tekenen die hard werken ongetwijfeld op mijn lichaam zal achterlaten. Het eelt op mijn schrijfvingers. Dat die onbekende de verbinding tussen ons zal ervaren en beseft dat er voor negativiteit geen ruimte mag zijn. En ook dat we allemaal daar komen op dat kruispunt bij de Waaldijkschool of elders, en de behoefte zullen voelen om naar binnen te kijken of terug.

Over koken en schrijven

Vanmiddag stond ik te koken. Zoals meestal, want we eten graag wat er thuis gekookt wordt. Het waren tungku paddenstoelen met uien, groene paprika, gember en kip, daarnaast geroosterde cashewnoten met komkommer, gestoofd in oestersaus, en gekookte Thaise rijst. De gedroogde tungku had ik zoals het hoort vierentwintig uur geweekt in water, daarna heb ik ze uitgekookt – ik doe altijd een scheutje olie erbij zodat ze fluweelzacht en mals worden – en laten uitlekken, voordat ik alles samen op hoog vuur bakte.
    De liefde voor oso nyan, het eten dat thuis wordt bereid, is onlosmakelijk verbonden met Surinamer zijn. Als we reizen dan hunkeren we naar de smaken van bij ons. Eten van thuis kan de ergste heimwee stillen. Helen de woorden van hier ook de gaten in je hart?

Vele volken hebben een thuis gevonden in mijn land. Indianen (die waren er het eerst), Afrikanen, Joden, Nederlanders, Engelsen, Spanjaarden, Fransen, Portugezen, Chinezen, Indonesiërs, Indiërs, Libanezen, Brazilianen, Italianen, Japanners, Turken, Colombianen, Cubanen, Venezolanen. Aan onder andere hun eetgewoontes zijn Surinamers, als niet direct door afkomst, dan toch minimaal door nabijheid, blootgesteld.
    Fusion, zo worden we geboren in Suriname. Invloeden van overal in een volk samengesmolten. Toch wordt er ook door ons gesproken over scheidingen tussen mensen die er in wezen niet zijn en worden er barrières opgeworpen die we gevoelsmatig niet herkennen. Mensen van overal op de wereld, ‘hoe wij hier ook samen kwamen’, al dan niet gedwongen om een toekomst ver van wat zij kenden te maken. Die, hoe dan ook, tijdens het opvaren van de Suriname- of Commewijne-, bij het oversteken van de Marowijne- of Corantijnrivier, of tijdens de landing op de door regenwoud en savanne omgeven luchthaven, bij zonlicht of in de stromende regen, hebben gedroomd van een nieuwe toekomst. Die zich hebben afgevraagd – vaak in angst en met verdriet om wat verloren ging – wat hen te wachten stond.
    Het land Suriname heeft hen verwelkomd, hen opgenomen. Zodanig dat zij haar bleven meedragen in hun hart, en zodanig dat waar ook ter wereld ze vervolgens kwamen, zij steken van gemis voelden en hunkeringen naar switi Sranan die niet overgingen totdat men weer voet op haar bodem zette.
    Ik zou willen proeven wat het is om je te missen, Suriname.

Enfin, daar stond ik dus vanmiddag, achter het fornuis, terwijl het bloed van mijn Afrikaanse, Indiaanse, Joodse, Chinese, Engelse en Duitse voorouders door mijn aders kolkte. In mijn hoofd ging het er net zo woest aan toe, vandaar dit stuk met vreemde verbindingen tussen schrijven en koken. Wat heeft schrijven met eten te maken? Liefde. Eten bereiden is liefde. Schrijven is liefde. Zoeken naar en geven van liefde.
    Een verbinding te ver gezocht? Hoe omschrijf ik de liefde die als extra ingrediënt te proeven is? Gaat het om schrijven, dan verklaar ik het zo: liefde stroomt via mijn hart het papier op. Voel je het wanneer de betekenis van mijn woorden tot je doordringt? Als ik voor je kook geef ik je alles wat ik heb, als ik voor je schrijf vertel ik je alles wat ik hoop te weten en durf te dromen. Ik vul je maag of je hoofd. Niets weegt op tegen het eten van thuis, niets tegen de woorden die in het moederland geboren worden. Toch wil ik soms voor andere monden koken en voor andere ogen schrijven. Mezelf loswrikken van het oude en wonden helen, zowel die van jou als die van mij.

Zonder eten sterft een mens. Bestaat er een leven zonder woorden? Schrijven dus. Een opdracht die makkelijker gezegd dan gedaan is. Schrijven betekent voor mij de schim binnenin overwinnen. Hem niet overmeesteren en aan de kant schuiven, dat werkt niet. Collaboreren. Vragen of hij wil meehelpen om licht te creëren. Altijd weer dat gevecht met het redeloos beest voor wie het grotere goed van geen enkele betekenis is en dat zich door geen enkel argument laat overtuigen. Hooguit door eigenbelang. Een weerbarstig dier in het gareel laten lopen; hem laten gaan blijft voor mij de gemakkelijkste optie. Ik zit met het geraamte van mijn ongeboren boek voor me, in me. Waar is die liefde dan? Liefde die ik voor mezelf en het verhaal dat door mij verteld wil worden zou moeten hebben.

Als een meesterwerkje behandelde ik het eten toen ik het uit de potten en pannen in verschillende schaaltjes liet glijden. Ik voelde (zoals vaak na het koken) een bijna eerbiedige verwondering voor wat het geworden was. Vol spanning wachtte ik het moment af dat anderen ervan zouden proeven. Opluchting: het smaakte goed.
Zou er misschien iemand wat meer willen?

Vertragen, dichterbij komen

Ik realiseer me dat ik vooruit hol. Alles moet snel. Beter. Gemakkelijker. Het versnellen heeft een prijs: ik verlies contact, raak gespannen. Overspannen. Wat mis ik veel.
    Als ik vertraag en jij ook, kunnen we dichterbij elkaar komen. Kan ik je aanraken en jij mij. Ik vang een vleug op van de geur waar ik zo van houd. Zie ik het goed, de orchideeën staan op het punt te bloeien? Een knopje duidt nieuw leven aan. De stondoifi bouwt een nest, net waar de hond er niet bij kan. Het citroengras heeft een plekje in de schaduw nodig.
    Als ik vertraag en jij ook, kunnen we samen liggen, één hart, één ademhaling. De manjabomen dragen fruit. Het duurt zeven weken van bloesem tot rijpe vrucht. Ik merk het alleen als ik wat langzamer ga. De klimroos wil vaker gesnoeid worden en iets meer water. De wortels van het citroenboompje banen zich een weg door de barre laag opvulzand heen om de rijke ondergrond te bereiken. Het zal even duren voor haar blaadjes er weer frisgroen bij staan, maar ik heb hoop.
    Als ik vertraag en jij ook, kunnen we onze ongemakjes met elkaar delen en ook ons geluk. Onze harten zwellen. Klinken vast. We vormen een wereld op zich, samen. Dichterbij elkaar. De blawtji vindt rijpe guave het lekkerst. De grietjebie loert liever op het eten van de honden en zet vanaf veilige hoogte de aanval in op de hond die het lef heeft te lang met het eten te dralen. Ondertussen raast het verkeer langs, onwetend over de trage mirakels die zich achter de heg voordoen.
Als ik stil genoeg ben mag ik langzaam meegenieten van deze wereld. Geen actor mag ik zijn, slechts toeschouwer. Het is een eer.
    Mijn trage ik kan naar binnen luisteren, waar woorden geboren worden. Mijn vingers en pen kunnen daar vertaler van zijn. Het is als door een gouden gordijn een gewichtloos zijn binnenstappen. Het is er licht en vloeibaar tegelijk. Het omringt en omarmt, geeft liefdevolle warmte af. Geven, alleen geven, daar zijn vraagt niets terug. Mijn snelle ik wil daar niet te lang blijven. Doorgaan. Geen tijd voor woorden. Daden. Waarom die stilte? We zouden ontmaskerd kunnen worden… te lang daar. Wegwezen.
Als ik vertraag en jij ook, kunnen we ontdekken waar we voor zijn gemaakt. Vrede vinden. Stel dat we allemaal opeens langzaam werden? Werden we dan allemaal gelukkig? Insiders. Kenners van wat bijzonder is. Als we tegelijkertijd die gouden wereld zouden bewonen? Wat blijft er dan van over? Wordt bijzonder dan gewoon?

Als ik niet zo snel was geweest, had ik gezien dat de tulsi die ik van Sakoen kreeg te ver gesnoeid werd. Hij heeft het niet overleefd, dat zag ik toen ik langzaam deed. Ik bid om regen en vraag dat hij het toch nog mag redden. Ik heb je nodig. Elke ochtend bestudeer ik de oksels, nog geen nieuw leven.
    Terwijl ik vertraag gaat het leven om me heen verder; geen bepaalde vaart, gewoon, gestaag. Paramaribo groeit. Maar goed ook.
    Als jij vertraagt word je benaderbaar. Wees niet bang, je bent oké. Kom met me mee. We doen het samen. We kunnen naast elkaar zitten op het bankje in de tuin. Misschien pak ik je hand vast. Je hoeft niet verlegen te zijn. Het zal geen pijn doen. Mijn ogen worden de jouwe. Voor een moment leen ik je al mijn zintuigen. Zie jij het ook? De wind streelt je huid. De geur van groen is op je tong te proeven. Hoor je de papegaaien in de koningspalm? Ze babbelen over verre reizen. Over hoe het fruit steeds minder wordt. Het land steeds kaler. De rivier elke dag iets vuiler. Hun gesprekken gaan ook over liefde, grapjes over ons onbeholpen samenzijn. De dreunende stappen die we op onverzettelijke aarde zetten. Terwijl zij vederlicht hun aanspraak op het land claimen.
    Wanneer ik met mijn ogen knipper is het voorbij. Ik zit er alleen, voel de herinnering aan jouw warmte in mijn hart.
    Vertraag… ik wil dichter bij jou zijn.

Zwijgen in Paramaribo

Dat vraag ik me af: Waarom zwijg ik over van alles? Zoveel blijft ongezegd, terwijl ik me wel weet te redden. Met pen op papier en zeker als het gesprek zich in mijn hoofd mag afspelen – wat het gezien mijn neiging om te zwijgen best vaak doet. Het is goed noch fout, heb ik geleerd; zwijgers observeren beter, komen met onderbouwde argumenten als ze zich uiteindelijk verbaal uiten, maar de brutalen hebben de (halve?) wereld, zo is het toch? Al dat internaliseren. Gedachten die de potentie hebben om mijn systeem te vergiftigen van binnenuit. Alleen aan de wind geven zij zich o zo vloeiend en zonder aarzelen over. Papier is net zo geduldig. Ik had graag een beeldend stuk willen schrijven, vol prachtige metaforen over hoe zwijgen en denken opwegen tegen me uitspreken. Het lukt niet echt. Faalangst. Onuitgesproken. Hoeveel angst schuilt er in mijn zwijgen? Hoe laf ben ik? Of hoe moedig: dat ik de gevaren in mijn binnenste durf te trotseren, daar op onderzoek ga. Durf ik aanwijzingen achter te laten voor wie na mij komt?

Paramaribo is er ook de stad naar; ze bevordert het zwijgen met haar verlammende hitte en haar onontkoombare magnetisme. Ze is donker en ze straalt. Ze ligt stil voor me in rommelige straten, hoge bomen en dreigende luchten. Ze omsluit me, draagt me, zij beknelt en maakt me woordeloos. Wat houdt mij hier? Zou ik niet veel liever willen spreken? Ik sta op en kijk, zie de straten van Paramaribo bochtig, soms recht, modderig, soms verhard. Je kan ze volgen tot in het hart van Suriname. Ik houd van mijn land; Suriname is uitgestrekt, vergevingsgezind en geduldig. Ze is zo mooi. Mooi en vreselijk. Ze kan genadeloos zijn. De weidsheid van mama Sranan en de kracht waarmee ze menselijke aanslagen verdraagt doet me denken. Ze geeft in overvloed, houdt niets voor zichzelf, alles groeit bij haar, in haar, op haar. Mijn oma Willy (zij en het land zijn nu een) was er ook een die liever stil bleef. Ze gaf liefde en kreeg liefde terug. Haar stilte was geboren uit lijfsbehoud, ze had geleerd dat praten problemen brengt. Mijn andere oma (ook zij is tot het land teruggekeerd) zweeg om de mensen om haar heen te beschermen. Vrede boven alles. Paraplu’s. Zij hebben hun stem geofferd. De enige die ik met stil blijven bescherm, ben ikzelf. Mijn stem, die offer ik niet. Hij rijpt en groeit tot ik geloof dat hij krachtig en wijs genoeg is om te gebruiken. Ondertussen dendert de monoloog voort. Mijn Suriname, mijn mensen: Wordt een land van zwijgers automatisch een van denkers?

Je zou eens bij ons moeten komen kijken of luisteren als er gesproken wordt. Je zou het niet zeggen als je ons zo zag. Of, sinds ik het over zwijgen heb: ‘Je zou het niet denken.’ Want Surinamers zijn sociaal, beleefd en respectvol. We zijn gezelligheidsdieren, weten uitbundig te lachen en te zingen. En toch… Recht voor zijn raap, dat is ons onbekend. Zonder escalatie de dialoog aangaan, een standpunt bepalen en emotieloos beredeneren, dat kunnen maar weinigen onder ons. Is het omdat we op straffe van… geleerd hebben om te zwijgen? We slikken en gaan verder, denken er ondertussen wel het onze van. Misschien durven we positieve zaken wel uit te spreken en is het alleen het negatieve dat we verbergen. Wij houden binnen wat anderen wel naar buiten brengen. Jij bent misschien wel een prater, een doener. Je gaat ervoor.
    Dus kom. En, als je ooit op reis mijn stad aandoet, met de mensen in gesprek gaat en tijdens het luisteren heel even, vluchtig, je ogen sluit en je dan de sensatie ervaart van gebonden zijn in een oceaan van vrijheid. En, als het gevoel je dreigt te beklemmen, blijf dan rustig ademen: je bent hier.

Over oud op nieuw (en ouder worden)

Ik moest eruit, kostte wat het kost, zo besloot mijn moeder. Ik heb niet het idee dat ik er klaar voor was. Het is gissen, toch wil ik geloven dat ik liever wat langer binnen was gebleven. Op oudejaarsavond wilde mijn moeder vrij zijn. Wie al eens owru yari in Suriname heeft meegemaakt, die weet wel waarom ze die dag zonder buik en zeker zonder baby de straat op wilde. Een waar bacchanaal voltrekt zich op oudejaarsdag in de straten van Paramaribo, iedereen is broeder en zuster van elkaar geworden, of geliefde. Zo intiem zijn Surinamers op elkaar op 31 december. Over grenzen heen van etniciteit, geloof, gender, klasse en soms de goede zeden. We drinken, schuren tegen elkaar aan (opgezweept door suggestieve ritmes), lachen en dansen zingend op de klanken van kaseko en kawina muziek. Dat was zo op de dag van mijn geboorte, en het is nu nog steeds zo. Ik kan mijn moeder dus niets kwalijk nemen: hup dat kind eruit, dan kon zij gaan feesten – wat haar overigens niet is gelukt, ze is Wonder Woman niet.

Surinamers verjagen het oude en verwelkomen uitbundig het nieuwe begin, dat zeker het einde zal betekenen van de ellende, nu eens echt. Het valt niet mee, namelijk, decennia van onderdrukking en tekort aan van alles. 31 December vieren in Paramaribo vraagt om gedegen voorbereiding: een jeep of pick-up truck om zoveel mogelijk vrienden in te vervoeren, een grote koelbox om zoveel mogelijk drank in te koelen. Een goede outfit, sexy, stoer, een die zegt: ik ga ervoor! Die de hele dag goed blijft zitten en waar vooral makkelijk in bewogen kan worden. Een stevige maaltijd vooraf, een back-up adres (oma’s, tantes die niet uitgaan) waar als nodig warm eten, koffie of thee (hangt van de mate van dronkenschap af) genuttigd kan worden, zodat je niet helemaal naar huis hoeft te rijden. Een parkeerplaats kies je zodanig dat je gemakkelijk in het centrum kan komen – waar op elke straathoek een band of dj speelt, en vergeet de muziekkaravaan niet – en je ook weer makkelijk kan vertrekken om op tijd bij het volgende feestje te zijn. Vergeet niet: iedereen is je vriend op oudejaarsdag en doe vooral alsof het reuze gezellig is, al heb je er weinig zin in.

Net voordat het nieuwe jaar wordt geboren, sterft mijn vorige levensjaar. Daar zou om gerouwd moeten worden, toch? Schreeuwen wil ik soms: kijk mij! Hier sta ik. Ik heb een jaar verloren vandaag. Maar ik kom niet door, mijn stem wordt niet gehoord in Paramaribo, op 31 december. Jarig worden. Foute boel. Dubbel. Het valt zwaar, en is toch bijzonder. Een rijkdom aan informatie, wijsheid, ervaring komt erbij. Zoveel verdwijnt. Het lichaam takelt hoe dan ook af. Eerst voor minder, nu voor vol, straks misschien voor incompetent worden aangezien: de cyclus van het leven? Met de pen in de hand verwonder ik me over het feesten, maar vooral over ouder worden. Met elk nieuw begin ga ik in principe verder achteruit. Paramaribo ook. De aarde, al het leven. Mijn stad kreunt en ondergaat stoïcijns jaar na jaar dat gewoel en het feesten, denderende knallen vuurwerk. Out with the old! Waar zijn we zo blij om?

Waar ben ik blij om? Mijn leven (dank ma en pa, laat maar van die vervelende dag, ik begrijp het). Mijn verstand dat helder is, ondoorgrondelijk diep is, en waarvan de wijsheid vaak pas spreekt als mijn pen papier raakt. Mijn gezin en de familie waartoe ik behoor. Waar treur ik om? De dingen die ongezegd zijn gebleven. De fouten die ik niet heb kunnen of willen herstellen. Dat de tijd voorbijgaat en nooit ingehaald kan worden. Zoveel wat ik niet heb gedurfd te doen. Waar hoop ik op? Ik hoop dat ik moedig zal zijn, dapper genoeg om ouder te worden. En dat wij, alle mensen, de kracht kunnen opbrengen om onze planeet te behoeden voor het verval dat met de jaren automatisch komt, maar wat wij zodanig hebben versneld dat onze nabije toekomst in gevaar kan komen. Verder: liefde, vrede, en alle goeds voor allen op onze moeder aarde.

Iraida van Dijk – Ooft (1974), vrouw, moeder, horecaondernemer, yoga-enthousiast, opgeleid coach en Surinaamse auteur. Debuteerde in 2015 met een literaire roman: Geen weg terug (In de Knipscheer, Haarlem, Nederland).
    Iraida is altijd een lezer en een denker geweest, schrijven gaf haar de kans te verwoorden wat zij om zich heen zag en wat er binnenin haar leefde.
    Ze heeft een passie voor woorden en gelooft dat schrijvers denkkaders kunnen verruimen en nieuw licht op de geschiedenis kunnen doen schijnen: Suriname heeft mensen nodig die verhalen blijven vertellen, zodat die kunnen uitgroeien tot de verhalen van de wereld.