De brasa van Atwea
Kort verhaal
Ik zweet op plekken waar ik nooit zweet. De trap, direct uit de rotsen gehouwen, heeft geen leuningen. Op de Atwea Prayer Mountain in Ghana is mijn valangst geen gedachte meer, maar een fysiek gewicht dat aan mijn hielen trekt. Het gemak van de andere klimmers vormt een schril contrast met de paniek die in mijn keel omhoog kruipt. Niet kijken, dwing ik mezelf. De pelgrims bewegen alsof zwaartekracht voor hen een keuze is, geen wet.
Een vrouw passeert. Ze draagt een kind op haar rug en een bak met waterflessen op haar hoofd. Haar voeten, slechts beschermd door dunne slippers, vinden trefzeker hun weg op het gladde gesteente. Achter haar volgt een man met een televisie op zijn hoofd alsof hij een veertje naar de top brengt. Een andere man prevelt volledig in trance uit een bijbel. Mijn eigen gebeden komen niet verder komen dan een paniekerig: niet vallen, niet vallen.
Onze gids loopt voor, zijn waterflesje balancerend op zijn kruin. Iedereen die passeert wordt begroet met woorden in een voor mij vreemde taal, Asante Twi. Stemmen kruisen elkaar zonder haast. Het groeten voelt Surinaams vertrouwd.
De vochtige warmte draagt de geur van natte aarde na een tropische regenbui, vermengd met het zoete van rijp fruit. Zelfs de klanken van de taal lijken te dansen op een ritme dat ik herken. Als ik akwaaba (welkom) hoor, voelt dat als een verre tante van het gastvrije onthaal in de binnenlanden van Suriname. Ik antwoord met medaase (dank je wel).
Op de bergtop valt de angst als een zware jas van me af.
De stilte van de berg is hier vervangen door een koortsachtige symfonie. Sommige mensen verliezen zichzelf in gebed, anderen liggen languit op matjes aan de voeten van hun priesters. Een groep vrouwen in een kring zingt vol overgave. Het heldere geklingel van tamboerijnbellen weeft zich door hun stemmen.
Mijn blik wordt getrokken naar een Ghanese vrouw. Ze ligt op haar buik, steunend op haar handen. Een priester zit op een stoel voor haar en bidt indringend. Er is iets in de lijn van haar schouders dat me dwingt te blijven staan. De priester onderbreekt zijn gebed en steekt zijn hand op. Ik zwaai terug, mijn hand onzeker in de lucht, terwijl de ontroering in mijn ogen prikt.
De Ghanese vrouw kijkt opzij. De ernst op haar gezicht breekt open in een lach. Mijn adem stokt. Iets in haar blik raakt iets ouds in mij, en ineens valt alles op zijn plek.
Kwasiba.
Mijn stammoeder. Ik ken haar uit mijn dromen. Ze fluisterde: geboren op een zondag, en dat zij onze laatste stammoeder was die de slavernij moest dragen. Dat ik onze voormoeders moest zoeken in de slavenregisters. Ik vond ze allemaal. Namen die in mijn lijf landden. Thuiskwamen. Alsof ze iets teruggaven waarvan ik niet wist dat ik het kwijt was.
Een schaduw valt over de vrouw heen – niet van een wolk, maar van mij. Zij is de boom die bleef staan, ik de tak die ver van de stam is gevallen. Maar ergens, diep in de stam en de tak, beweegt dezelfde sapstroom.
De afstand tussen ons wordt kleiner, stap voor stap, zonder dat ik het merk. Wanneer we elkaar naderen, hoef ik niet meer te kijken. Ik voel een warme stroom in mijn rug. Mijn armen gaan vanzelf open. De Ghanese vrouw duikt erin.
Een brasa.
Haar hart slaat tegen het mijne.
Hetzelfde ritme.
Dezelfde taal.
Foto: Els Kort





@ Els Kort