Door de oogharen kijken
Twee mannen komend uit een café aan het Boterdiep, Jan Wiegers, 1924. Collectie Groninger Museum, aangekocht met steun van Stichting Beringer Hazewinkel
Groningen 1924 – twee mannen komen uit een café aan het Boterdiep. De een met pet en blauwe kiel zal een arbeider zijn, de ander met hoge hoed en pandjesjas een ‘heer’. Maar de drank heeft voor een kortstondig moment het standsverschil weggenomen; broederlijk vinden ze met ietwat onvaste tred hun weg door de sneeuw.
Jan Wiegers, schilder van Kunstkring De Ploeg, legde het tafereel ruim honderd jaar geleden op doek vast.
Er was in die tijd nóg een schilder die het Boterdiep opzocht om in snelle potloodschetsen de sfeer vast te leggen. F.H. Bach, docent aan de Groningse kunstacademie Minerva, was een opmerkelijk figuur: ‘de eerste schilder hier, die op de fiets naar buiten trok en het Groningerland ontdekte; hij schilderde en plein air […] en toetste de opvattingen van de Haagse School aan het specifiek karakter van het Groninger landschap’.1 Ook zijn leerlingen joeg hij naar buiten, de vrije natuur in en leerde hun kijken en het snelle schilderen en tekenen. Zijn talrijke potloodschetsen illustreren zijn adviezen aan zijn leerlingen: nooit langer dan een half uur aan een schets werken, door de oogharen kijken en niet peuteren.2
Vlak bij zijn woonhuis vond Bach aan het Boterdiep een geliefd onderwerp in de korenschippers, voermannen en sjouwerlieden. Op marktdagen en in het najaar, als het koren en de aardappelen vanaf het Groningse platteland werden aangevoerd, was het Boterdiep een aaneenschakeling van marktschuiten en kleine beurtschepen en op de wal reden paarden en wagens af en aan.

Het Boterdiep naar buiten gezien, F.H. Bach, datum onbekend. Collectie Groninger Museum.
Ongetwijfeld heeft Bach ook de vele korenwerkers op de nabijgelegen Ebbingebrug zien staan, wachtend op de meesterknecht die hen het werk kwam aanbieden. Dan werd onder de arbeiders gedobbeld en degene die het spel won, mocht aan de slag met het lossen van een schip of het dragen van het graan van de zolder op de wagen. In de drukke tijd waren de werkdagen lang en de lasten zwaar. Een staatscommissie die eind negentiende eeuw onderzoek deed naar de toestand van de arbeidersklasse ondervroeg daarover verschillende korenwerkers, onder wie de 44-jarige Egbert Anthonie Bijmolt: ‘Als een schip ledig moet, dan gaan de lampen op. Het is wel gebeurd, dat wij om 5 uur begonnen en om 11 uur nog bezig waren.’ De uitbetaling van het loon vond op straat plaats en volgens korenwerker Bijmolt liep dan menigeen de eerste de beste kroeg in.3 Ook de voerlieden – de arbeiders die het graan op of van de wagens brachten – stonden bekend als stevige drinkers. Als ze 30 mud hadden versjouwd en de wagen vol was, werd er ‘voer’ geroepen, dan werden de zakken geteld en slopen de sjouwers even weg om een borrel te halen in een van de elf kroegen die er in die tijd te vinden waren.4
De oostzijde van het Boterdiep kende door de eeuwen heen armoedige buurtjes, waar de meeste mensen in een eenkamer- of kelderwoning leefden. Dat is ook af te leiden uit de heffing van het ‘drekgeld’ (vergelijkbaar met onze tegenwoordige verontreinigingsheffing) aan het einde van de achttiende eeuw. Wie een dergelijke woning bezat, viel in de laagste klasse en betaalde 2 tot 4 stuivers. In de zijgangen aan de oostzijde van het Boterdiep was dat voor bijna alle mensen het geval. Dat deze woonomstandigheden ernstige gevolgen hadden voor de gezondheid bleek in 1826 toen de stad getroffen werd door een cholera-epidemie, waardoor dat jaar bijna één op de tien inwoners overleed. Het hardst werden de achterstandsbuurten getroffen, waaronder de sloppen bij het Boterdiep.
Wanneer we nog een stap verder terug doen in de tijd komen we zelfs uit bij ‘Lazarussteden’, zoals bepaalde gebiedjes hier in de zestiende eeuw bekendstonden. Ze werden bewoond door mannen met namen als Jacob de Laser, Albert de Laser, Tjaard de Laser of blinde Luitje – kansarmen die daar ‘om Godes willen’ gratis mochten wonen van het stadsbestuur.5
Toen Jan Wiegers in 1924 twee mannen in ietwat beschonken staat uit het café zag komen, was het Boterdiep al voor een deel gedempt. Waar eens het water was, reed een keurig trammetje en in het straatbeeld verschenen de eerste auto’s.

Het Boterdiep, gezien naar het zuiden, 1925-1927. Collectie Groninger Archieven.
Wiegers heeft de veranderingen ongetwijfeld opgemerkt, maar zijn oog viel op die twee mannen.
Nog weer decennia later woonde ik aan het Boterdiep. Zou ik een kunstenaar zijn, dan legde ik het alsnog in snelle schetsen vast, het brede gedempte diep waar het trammetje alweer passé was.
Boven me in hetzelfde huis woonde Inge die zich elke dag aan dezelfde spijker bezeerde als ze de trap opliep. Dat daar een oplossing voor bestond in de vorm van een hamer kwam niet in ons op. Evenmin kenden we stelregel 1 bij het voorkomen van een muizenplaag en we wisten ook niet hoe we een peertje in een lamp moesten draaien. Met als gevolg dat Inge zich nog harder aan die spijker bezeerde.
Door de oogharen kijken – ik was er zoverre goed in dat ik me niet stoorde aan het stof en het vuil die zich ophoopten in onze zelfgekozen tochtige en slecht onderhouden woning. Want dat was het grote verschil met de arbeiders uit de negentiende en vroeg twintigste eeuw: wij waren verwende studentes die dronken óp onze armoede. En als we op mooie avonden op het stoepje voor ons huis Gerrit Kouwenaar citeerden – ‘laat ons nog één glas te veel lachen’ – voelden we ons de hemelbestormers van het Boterdiep.
1 Johan Dijkstra, ‘Herinneringen aan Franciscus Herman Bach. 29 mei 1865-22 januari 1956’. In: W.J. Formsma en A.T. Schuitema Meijer (red.), Groninger Volksalmanak, Groningen 1958, p. 6.
2 Cees Hofsteenge, De Ploeg 1918-1941. De hoogtijdagen, Groningen 1993, p. 25.
3 H.C. Verniers van der Loeff, Enquête betreffende werking en uitbreiding der Wet van 19 September 1874 (Staatsblad no. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen, Sneek [1887], Afdeling Groningen, p. 114.
4 H.C. Verniers van der Loeff, Enquête betreffende werking en uitbreiding der Wet van 19 September 1874 (Staatsblad no. 130) en naar den toestand van fabrieken en werkplaatsen, Sneek [1887], Afdeling Groningen, p. 80; Groninger Archieven, toegang 1399: Gemeentebestuur van Groningen (1), 1816-1916; inv. nr. 7161: Register van heffing van het vergunningsrecht voor verkoop van sterke drank in het klein door lokaliteiten op basis van hun omvang, met wijkletter en nummer, 1905-1916. Met oude vergunningen.
5 J.Y. Huis in ’t Veld, Opgravingen aan het Boterdiep te Groningen. De ontwikkeling van vuilstort tot voorstad, Groningen 2015, p. 82
Nina van den Broek
Nina van den Broek (1968) is onderzoeker en publicist. Bij uitgeverij Passage verschenen onder meer Kom, vul de glazen (2003), over oude plattelandscafés in Groningen, Bedreigd verleden (2007) over kleine monumenten en de strijd voor hun behoud, en Boerderijenboek De Marne (2016). In het tijdschrift Noorderbreedte publiceerde zij in samenwerking met fotograaf Harry Cock de serie ‘Vlak land’: portretten van Groningse boeren(families). Bij uitgeverij Prometheus verscheen van haar hand Zo onafhankelijk als een zeehond. Het leven van Lenie ’t Hart (2019). Momenteel doet zij onderzoek naar het negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse kroegleven in Groningen.


@ Jan Wiegers @ Marten de Leeuw
Paul Citroen
Erven Cornets de Groot 
