Standplaats Nha Trang (Vietnam)

Rob Verschuren

1

Vogels

Hij heeft geen naam. Nooit gehad, nooit nodig gehad. Op een dag is hij aan komen vliegen en neergestreken op het stokje van een afgedankte vogelkooi die onder onze waringin stond te roesten. Een vluchteling voor de open hemel.

Ik weet niet wat voor soort vogel het is. Of het een mannetje is of een vrouwtje. Of non-binair. Hij – laten we het daar maar op houden – is zo groot als een merel. Zwart, met een witte staartpunt en witte vleugeltippen. De veertjes bovenop zijn kopje staan overeind als een kuifje. Gele snavel, gele klauwtjes. Niets bijzonders qua vogel.

Elke ochtend zet ik hem op het balkon en geef hem zijn badje. Dan praten we wat in het Vogels, een taal die bestaat uit krassen, fluiten en klokken. Wanneer ik naar binnen ga, fluit hij me steevast na. Ik denk dat hij van mij houdt. Soms probeert hij me te bijten.

Hij is nu zeven jaar bij ons. Zeven jaar op hetzelfde stokje. Heeft hij een elders in zijn denken? Zoals mijn land van herinnering en verbeelding, waarin ik vaak dwaal en soms een verhaal vind. Of doet hij niet aan denken? Beziet hij de wereld zonder passie of oordeel en zonder zich iets af te vragen? Over dat soort dingen mijmer ik wanneer ik bij mijn vogel op het balkon zit.

Een maand of wat geleden zat ik daar onder een hemel die levend en luguber was als een stormlucht van Turner. Het liep tegen het eind van het regenseizoen. De ondergaande zon trok brandend rode strepen door het kolkende grijs. Boven de bergen in het noorden wat de lucht zwart en in de verte rommelde de donder. Verder was het ongewoon stil. Toen kwam de wind. Je kom hem zien komen aan het buigen van de kokospalmen, steeds dichterbij.

De overgang van stilte naar storm was onmiddellijk. Als de schokgolf van een explosie. Stoeltjes schoven over het balkon, de stokroos werd omvergeblazen en de vogel zette het op een krijsen. Ik bracht hem naar binnen en ging weer op het balkon zitten. In de apocalyptische stormhemel dansten zwaluwen, meer dan ik er ooit bij elkaar had gezien, onberoerd door het natuurgeweld, alsof ze geen massa bezaten, lichter waren dan de lucht zelf. De ultieme belichaming van vrijheid.

Maar is dat wel zo? Hoe zou jij het vinden om dag en nacht te moeten vliegen zonder ooit neer te strijken? Om van je speeksel een nestje te bouwen – iets waar een paartje twee maanden over doet – en dan genoeg insecten zien te vangen voor de hongerige baby’s. Nooit één moment rust in je leven. En het zijn geen vrije ondernemers, de zwaluwen die je hier ziet. Het zijn allemaal werknemers, in dienst van het Yên Sao concern dat de nestjes op de eilanden in de baai oogst. Of van particulieren die de bovenverdiepingen van hun huis hebben omgebouwd tot een namaakgrot, met luidsprekers op het dak om nieuwe bewoners te lokken.
    Dan mijn vogel. Alle tijd om te suffen en te mediteren.

Volgens een Australische birdwatcher die ik ooit heb gesproken, zie je hier minder vogelsoorten dan waar ook in Azië. Allemaal opgegeten. En inderdaad, op mijn balkon zie ik behalve zwaluwen alleen maar musjes. Voor mij is dat genoeg. Musjes zijn heel leuk en leerzaam om naar te kijken. Musjes hoppen maar wat. Van de tak van een palm naar de reling van het balkon, naar de rand van de hondenbak om een achtergebleven rijstkorreltje op te pikken, naar de elektriciteitspaal en terug naar de palmtak. Onbekommerd, om niet te zeggen onbenullig.

Maar over musjes moet ik niet schrijven. Ik moet naar ze kijken en blij worden. Over mijn vogel in zijn kooi en de zwaluwen in de vrije hemel schrijf ik wel. Regelmatig zelfs. Ze symboliseren voor mij vrijheid en gevangenschap, twee dingen die ik nogal eens onderzoek in mijn verhalen.

Soms laat ik het deurtje van zijn kooi openstaan.

Ha Lan en Lan Ha

Een aantal jaren geleden werd ik benaderd door de Nederlandse ambassade in Hanoi. Nederland en Vietnam onderhielden veertig jaar diplomatieke betrekkingen en daar moest iets mee worden gedaan. De ambassadeur wist ook al wat. Zou het niet aardig zijn om een boekje te maken over mensen die onze vriendschapsband inhoud geven? Vietnamezen en Nederlanders. En kon ik hiervoor misschien de tekst verzorgen?

Jawel.

De weken daarop doorkruiste ik samen met fotograaf Tran Huy Chien het land, onderweg bonnetjes en rekeningen oppikkend voor mijn onkostendeclaratie. Ik heb daar overigens geen misbruik van gemaakt. De vluchten waren tourist class, de hotels maar een graadje beter dan de hotels ik wel eens in verblijf, en ik ben me maar één keer te buiten gegaan – aan confit de canard en Armagnac in een Frans restaurantje aan het plein voor de kathedraal van Hanoi.

Ik sprak met ministers, artiesten, wetenschappers en ondernemers. In Hanoi ontmoette ik de kunstenares die het langste muurmozaïek ter wereld heeft gemaakt (3.850 meter, gecertificeerd door het Guinness Book of Records) en een vicepresident van Unilever. Ik sprak er met een voormalige minister van gezondheid en met de rector van de Water Resources University. In Ho Chi Minh City interviewde ik een muziekproducer & tv-persoonlijkheid en de man die voor Friesland Campina Vietnamese boeren aan de melkkoeien probeert te krijgen – Diary Development Manager heet zo iemand. Maar de aardigste ontmoeting vond plaats tegen het eind van mijn Tour de Vietnam, in Quang Tri.

Het bijzondere verhaal van de lachende tweeling begint in de nasleep van de Amerikaanse Oorlog. Quang Tri, in de gedemilitariseerde zone, is een van de meest intensief gebombardeerde gebieden in de militaire geschiedenis. Van de legendarische slag om Quang Tri in 1972 kwam ik een beschrijving tegen die in al zijn nuchterheid suggestief genoeg is:

North Vietnamese forces capture Quang Tri City on May 1. South Vietnamese forces retake the city on September 15. Casualties on both sides are very high, and the city is left largely destroyed.

In de dorre woestijn, achtergelaten door honderdduizenden tonnen explosieven, napalm, fosfor en herbicide, bouwde het Medisch Comité Nederland Vietnam in 1977 het Holland Ziekenhuis. Het was in de tuin van dit gebouwencomplex –vandaag de dag is er het MCNV-museum gevestigd – dat ik luisterde naar het levensverhaal van Ha Lan en Lan Ha, stafmedewerkers van de organisatie.

Ha Lan en Lan Ha

Ha Lan en Lan Ha. Foto: Tran Huy Chien.




Toen de tweelingzussen, vers van de universiteit, solliciteerden bij MCNV, hoorden ze dat ze zelf de eerste baby’s waren die in het Holland Ziekenhuis werden geboren. Dat hadden ze nooit geweten, al had hun moeder ooit verteld over mysterieuze buitenlanders die op bezoek waren gekomen met bloemen. Het verklaarde ook de namen waarmee hun ouders hen uit dankbaarheid hadden opgescheept: HàLan is het Vietnamese woord voor Nederland, een klanknabootsing van ‘Holland’.

Ha Lan en Lan Ha praatten die middag met passie over hun werken met milde verwondering over Nederland, waar ze allebei een jaar hebben gestudeerd.
    Ha Lan: ‘Daar rijden zelfs de professoren op een fiets.’
    Lan Ha: ‘En in de zomer is de dag langer dan de nacht, maar de zon is geen echte zon.’

Toen de echte zon van Vietnam achter de muur van het MCNV-museum was verdwenen, nodigden de zussen mij uit voor een hapje in een restaurant dat zich specialiseerde in krab. Hier praatten ze onverminderd door. Hoe ze zich tegenwoordig vooral bezighielden met de emancipatie van etnische minderheden en over andere zaken die hun leven inhoud gaven. Ik luisterde met een interesse die inmiddels persoonlijk was geworden. In tegenstelling tot haar zus was Ha Lan nog single. Hoewel zelf stevig getrouwd, betrapte ik mij die avond meermalen op bedenkelijke gedachten. Als ik twintig jaar jonger was… En niet stevig getrouwd…

Aan de krabben was nogal wat bier te pas gekomen, en de volgende morgen liet ik op een goddeloos tijdstip – er begon net licht in de wereld te komen – mijn mistige hoofd tegen de stalen wand van de treincoupé rusten en dacht aan Ha Lan. Van de twaalf uur lange reis naar huis herinner ik me nog dat een man met een literfles een klein glaasje rond liet gaan, een welkome bijdrage aan de viering van veertig jaar vriendschap.

De volgende avond stapte ik op de bus naar Da Lat voor het laatste interview. Met een Nederlandse ondernemer die in dit voormalige Franse zomerresort een bloemenimperium met hectaren kassen en tweeduizend personeelsleden heeft opgebouwd. Je vraagt je af hoe sommige mensen het voor elkaar krijgen.

De oorlog

Eerder deze middag zat ik in de sauna van het resort waar ik naar de gym ga, toen een voluptueuze Russische binnenstapte. Of mogelijk een Oekraïense, ik zie het verschil niet. Touroperators in beide landen kochten vóór de Covidepidemie grote aantallen hotelkamers in deze badplaats in. Nu het virus de aftocht blaast, beginnen ze weer binnen te druppelen.
    Ik mag ze wel, Russen. Ze zijn warm en open, en een Engelse woordenschat die in een vingerdop past weerhoudt ze niet van een praatje. Meer dan eens hebben ze mijn saunabezoek opgeluisterd met wodka en worst.
    Deze Russische kende helemaal geen Engels. Of misschien was ze verlegen. Of een saunapurist, die vindt dat er gezwegen dient te worden.
    Dat was een opluchting, want anders waren er onvermijdelijk moeilijke dingen aan bod gekomen. De oorlog in Oekraïne roept een hoop vragen bij mij op. En eerlijk gezegd ben ik verbaasd dat zoveel commentatoren de antwoorden hebben.
In de wereld wordt Poetins brute inval vrijwel unaniem veroordeeld. Maar er zijn ook wel andere geluiden te horen. De Russische schaakgrootmeester Sergey Karjakin – geboren en getogen in Oekraïne – schaart zich vierkant achter Poetin. Hij wordt in alle media de grond in gestampt en waarschijnlijk door de FIDE uitgesloten van deelname aan toernooien. Zijn broodwinning.
    Je moet over dingen anders mogen denken. Ik bedoel: dit is geen ‘Holocaust ontkennen’ of iets van die orde – gevaarlijke onzin die terecht bestraft wordt. Natuurlijk denken talloos veel miljoenen Russen er net zo over als Poetin. Poetin is wel een gokker, maar hij is niet gek (daar mag je ook anders over denken). Hij doet geen dingen zonder steun in de rug.
    Je kunt elk argument, hoe bezopen ook, redelijk laten klinken. Dat is toch het dagelijks werk van politici?
    Voor alle duidelijkheid: ik veroordeel de inval volkomen, vind Poetin een slecht mens, waar we zo gauw mogelijk vanaf moeten, en sta voor honderd procent achter Oekraïne en haar onvoorstelbaar dappere bevolking. Maar toch blijft die verwarring. Hoe zit het met de vrijheid van meningsuiting? Moet je bestraft worden voor het zeggen van onpopulaire en domme dingen?
    Terug naar de sauna.
    Terwijl ik daar zo zwijgend en zwetend zat te denken aan de oorlog, viel me een andere gedachte in. Aan de Covidtijd, met zijn bijna onmenselijk strenge lockdown hier ten stede. Ik liep nogal pissig rond in die dagen. Covid heeft me veel geld gekost. Dat de halve wereldbevolking in hetzelfde schuitje zat, gaf me weinig troost. Toen moest ik aan mijn ouders denken. Die de Tweede Wereldoorlog en vijf jaar bezetting hebben meegemaakt. En aan Lan, die haar tienerjaren verloren heeft aan de Amerikaanse oorlog en de daaropvolgende hongersnood. En ik besefte hoeveel geluk ik had.
    Laat ik besluiten met het officiële Vietnamese standpunt over de inval in Oekraïne. Aan het woord is Dang Hoang Giang, hoofd van de permanente missie bij de VN. Hij sprak zijn diepe bezorgdheid uit over de situatie in Oekraïne en riep op tot beëindiging van het gebruik van geweld en het doen van inspanningen voor een duurzame oplossing.
    ‘Met zijn eigen geschiedenis van lange en pijnlijke oorlogen,’ zei hij, ‘heeft Vietnam ondervonden dat oorlogen en conflicten meestal voortkomen uit verouderde doctrines van grote machtspolitiek, de ambitie om te domineren en geweld te gebruiken om internationale geschillen op te lossen.’

De ballonnenman

‘Is dit wel de goede dokter?’
De wachtkamer zit barstensvol jonge moeders met een zuigeling of peuter op schoot. We persen ons op de enige vrije plek, bijna op straat. Daar boffen we mee, want zo krijgen we nog een beetje lucht.
    Het is een dubbele praktijk, legt Lan uit. Haar dokter is huisarts, zijn vrouw kinderarts. Het is duidelijk wie hier het geld binnenbrengt.
    Lan heeft plotseling hoge koorts gekregen, met bonzende hoofdpijn en andere ongemakken. Ze is bang dat het dengue is. Dengue wordt, net als malaria, overgebracht door muggen. Malariamuggen steken bij voorkeur ’s nachts, denguemuggen overdag. Een soort ploegendienst.

Twee treden scheiden de open wachtkamer van het trottoir. Ze staan vol vrouwenslippers en kinderslippertjes, maar nog steeds komen moeders binnen met een peuter op de heup.
    Pal voor de ingang heeft een man zijn handel opgezet. Het is een oude man en hij is erg dun. Hij zit tussen speelgoedautootjes en beestjes van het soort dat je op kunt draaien. Achter hem staat een oude Honda Cub. Ik kijk er even geboeid naar als het kleine grut in de wachtkamer. Boven de brommer deint een woud van ballonnen. Misschien wel vijftig. Het zijn allemaal dieren: poesjes, vissen, krokodillen, zebra’s, een enkele giraf. Ze zwaaien zachtjes in de avondbries.
    Symbiose, denk ik. Wat is er logischer voor een ballonnenverkoper dan zijn nering uitoefenen op de stoep voor een kinderarts.

Lan is aan de beurt. Ze verdwijnt door de klapdeurtjes naar de ruimte waar het artsenechtpaar zijn werk doet, de man aan de linkerkant, de vrouw rechts. Eigenlijk verdwijnt ze niet, want over het lage scheidingsmuurtje kan iedereen de medische handelingen volgen.
    De ballonnenman zit een sigaret te roken en monstert met een norse uitdrukking de peuters, die met grote ogen naar zijn uitstalling staren. Ik vermoed dat hij eigenlijk niet van kinderen houdt.

Zoals wel vaker probeer ik door het observeren van mensen te begrijpen hoe dit land werkt. Het komt me voor dat symbiose een van de basisprincipes is.
Op microniveau wordt de Vietnamese economie gekenmerkt door miljoenen kleine ondernemingen. Niet belemmerd door sociale voorzieningen, probeert iedereen zijn eigen marketingniche te vinden, voornamelijk in het aanbieden van basisbehoeften als eten, drinken, kleding en transport. Vietnamezen hebben weinig middelen en nog minder aansporing nodig om een onderneming op te zetten. Kun je je de tijd van de bootvluchtelingen nog herinneren? Ze waren het asielzoekerscentrum nog niet uit of ze stonden al met een loempiastalletje op het stationsplein.

Er is veel concurrentie, maar nog meer samenwerking, onder het motto: ‘We zitten allemaal in hetzelfde schuitje, help je mij, help ik jou’. Als het even kan, wordt het geld verdienen wel binnen de familie gehouden. Mijn schoonzus verkoopt eendgerechten vanuit een straatstalletje. Wanneer ze laat in de avond is uitverkocht, neemt haar man het stekje over met soep voor de nachtbrakers. Aan de overkant van de straat hebben zoon en dochter samen een schelpdierenrestaurantje. De ingrediënten worden geleverd door de schoonvader van de zoon, die visser is. Bij het eendenstalletje kun je zeevruchten eten en vice versa. Ook kun je er koffie drinken, die twee deuren verder bij een bevriend café wordt betrokken. En pinda’s eten, van vrouwen die met een mand aan het stuur van hun fiets de eethuisjes en terrassen afgaan en hun waar langs de tafeltjes uitventen. Als je trek hebt in iets heel anders – zeg een stokbroodje La vache qui rit – springt een van de jongens of meisjes in de bediening op de brommer om het voor je te halen in een aangetrouwd stokbroodstalletje.
    Zou de man op de stoep soms de vader van de dokter zijn?

Lan komt glimlachend door de klapdeurtjes. Het is geen dengue, maar gewoon een van die vage koortsen die in de tropen plotseling komen opzetten en even snel weer verdwijnen. Ze houdt een recept voor vijf verschillende pillen in haar hand, daar kan geen koorts tegenop.
    Op de treden stappen we in onze slippers. De ballonnenman heeft al die tijd niets verkocht. Met samengeknepen ogen tegen de rook van zijn sigaret draait hij een aap op. Die heeft een trommeltje voor zijn buik, waarop hij driftig begint te rammelen.

Hoe intelligent moet je zijn om met een Vietnamese te trouwen?

Toen Lan en ik elkaar in de ogen keken en besloten te trouwen, zetten we de eerste stap op een lange mars. Ik zal je niet vermoeien met alle grijze kantoren, missende stempels, schouderophalende ambtenaren, verbleekte stempels, slapeloze nachten in de bus naar Ho Chi Minh City, zoekgeraakte poststukken, hulpeloos glimlachende ambtenaren en de rest. Franz Kafka heeft dat verhaal al verteld en mooier dan ik het zou kunnen.

Op een goede dag, toen het einde van de mars in zicht kwam – al ging het laatste stukje nog gemeen bergop – reden Lan en ik naar een zekere plaats, een half uur buiten de stad. Het enige wat ik wist, was dat ik weer eens nieuwe pasfoto’s had moeten laten maken. Ze zaten in de dossiermap die Lan achterop de buddyseat tegen haar borst klemde en die inmiddels een duim dik was.

We draaiden van de weg af en reden door een poort in een hoge muur een somber landschap met vuilgele gebouwen binnen. Een portier met gouden strepen op zijn uniformhemd wees waar we de brommer konden parkeren. Lan stapte op het hoofdgebouw af en verdween door de voordeur. Enkele tellen later kwam ze weer naar buiten. Ik volgde haar door een verlepte binnentuin en langs een aanzet tot nieuwbouw die in het stadium van betonijzer was blijven steken. Na nog drie keer vragen kwamen we in een receptieruimte. Lan opende de eerste de beste deur en had een korte conversatie met onzichtbaar kantoorpersoneel. Ze knikte naar me. Hier moesten we zijn.

We gingen zitten op een rechte houten bank. Voor de tegenoverliggende muur stond net zo’n bank. Hierop zaten drie mannen waarvan de gelaatsuitdrukking en de motoriek – het gebrek daaraan voornamelijk – me deden denken aan een film die ik ooit heb gezien. One Flew over the Cuckoo’s Nest heette die film. Mijn voornemen om me nergens meer over te verbazen kwam enigszins onder druk te staan. Een van de mannen keek naar het plafond. De andere twee staarden ons met holle ogen aan. Lan kneep in mijn hand en glimlachte bemoedigend. We wachtten.

Na een tijdje kwam een vrouw uit een kantoor en nam Lan mee. Ze bleef tien minuten weg. Toen was het mijn beurt.
    Een man achter een bureau – veertiger, gestreept overhemd, montuurloze bril – knikte mij niet onvriendelijk toe en begon zonder verdere omhaal vragen te stellen. Of ik weleens uitging. En wat ik dan dronk. Bier? Hij knikte, dat lag voor de hand. Niet veel zeker? Nee, een blikje, soms twee. Hij knikte. Of mijn ouders nog leefden. Nee, dood, allebei. Ja, dat kan gebeuren, maar verder gezond? Geen rare ziektes? Broers en zussen ook alles in orde? Ik had het idee dat mijn ondervraging langer duurde dan die van Lan, maar uiteindelijk was de man tevreden.

Lan werd weer binnengeleid en we moesten voor een ander bureau gaan zitten. We kregen ieder een pak papier en een pen. Ik bladerde door de A4-kopietjes die met een nietje aan elkaar zaten. Het was een intelligentietest. Rijtjes afbeeldingen waarmee iets gedaan moest worden. Veel rijtjes. We gingen aan de slag. Nu en dan consulteerde Lan mij, wat de surveillante niet leek te storen. Er ging denk ik een half uur mee heen.

Nadat we weer een tijdje in de receptie hadden gewacht, mochten we een document ondertekenen en leverde Lan de pasfoto’s in. Ook schoof ze een biljet van 500.000 dong over het bureaublad. De vrouw achter het bureau keek naar links en naar rechts, waar nog twee vrouwen achter bureaus zaten,en schudde haar hoofd. Lan drong aan. Een donatie, zei ze. Uiteindelijk accepteerde de vrouw het geld – ongeveer 20 euro – en liet het in een envelop glijden die ze uit een bureaula tevoorschijn haalde. We waren allebei geslaagd en kregen het gestempelde document mee als bewijsstuk.

Enkele maanden later bracht de postbode een brief. In het briefhoofd stond een woord dat ik ken – ‘ziekenhuis’– en een woord dat ik niet ken, maar iets zegt me dat het Vietnamees is voor ‘psychiatrisch’. Het schrijven bevatte een vriendelijke aansporing om onze jaarlijkse donatie te doen.

Rob Verschuren is in 1953 in Malden geboren. Hij heeft lang als copywriter in de reclame gewerkt. Sinds het midden van de jaren tachtig woont hij buiten Nederland, de laatste elf jaar in Vietnam, met zijn Vietnamese familie. Hij is een voorbeeld van wat Salman Rushdie ‘translated men’ heeft genoemd, expatschrijvers wier geografische, culturele en linguïstische grensoverschrijdingen leiden tot een rijke kruisbestuiving tussen identiteiten en perspectieven.