Elders bespreekt
Het laatste uur
Albert van der Hoogte
B O E K B E S P R E K I N G
Albert van der Hoogte, Het laatste uur
1e druk 1953, alleen antiquarisch verkrijgbaar (latere drukken circa € 5)
De roman Het laatste uur van Albert van der Hoogte (1909-1970), die tot circa 1948 als officier van justitie in Nederlands-Indië heeft gewerkt, verscheen in 1953. Het verhaal gaat over een fictieve officier van justitie te Soerabaja, Opzomer genaamd, die in het chaotische Nederlands-Indië van net na de Tweede Wereldoorlog de vrijwel onmogelijke taak heeft om de rechtsorde te handhaven. Twee strafzaken worden uitvoerig beschreven. De eerste zaak behelst het proces tegen Pa Romat. Deze ‘vrije zoon van het eiland Madoera’, die leefde van jacht en visserij, heeft in de onafhankelijkheidsstrijd een Javaanse bestuursambtenaar vermoord. Het tweede proces draait om de gruwelijke moord, na een groepsverkrachting, op Betty Doyle, een Indo-Europees meisje dat op het punt stond zich te verloven met een dienstplichtig militair uit Friesland. Beide processen worden afgesloten met het uitspreken en voltrekken van de doodstraf.
Bij verschijning van de roman schreef toentertijd gezaghebbend literair recensent Dinaux: ‘Voor zover de realiteit van de oorlogsjaren uitdrukking heeft gevonden in onze literatuur is er (…) eigenlijk niet veel van blijvende waarde tevoorschijn gekomen. (…) De Indische tragedie bleef tot voor kort ongeschreven, vond althans (…) geen weerklank van voldoende literair gehalte. Merkwaardig genoeg moest het een debutant (…) zijn, die met een voor een eersteling haast ongelooflijke schrijfvaardigheid en compositiegave (…) niet alleen “het” boek schreef over het noodlottig misverstand van eeuwen tussen “blank” en “bruin”, maar in een diep besef van verantwoordelijkheid voor wat zich in het actueel-historische bestek voltrekt, ver boven de tragische feiten uitsteeg en zijn “kroniek uit het naoorlogse Indonesië” als een getuigenis, als een aanklacht, te boek stelde.’ Het boek was onmiddellijk een verkoopsucces en beleefde ten minste vijf herdrukken.
Hanjo de Kuiper (HK) en Hein van der Hoeven (HH) lazen de het boek twee keer en gingen erover in gesprek.
HK: Het opent sterk, in het vliegtuig van Bandoeng naar Batavia. Je zit meteen in het verhaal. Citaat: ‘Het stonk er naar zweet, machine-olie en de goedkope eau de cologne van de jonge vrouw die naast mij zat en die luchtziek was. (…) Dit type doet het niet in de tropen, dacht ik gemelijk, wat doet ze hier? Wat doen al die Hollanders hier eigenlijk?’ Het is de opmaat naar een heel goed boek, qua schrijfstijl en qua inhoud. De inhoud heeft betrekking op de manier waarop het Nederlands bestuur onder die omstandigheden functioneerde en daarbij handelde alsof de koloniale situatie van voor de Japanse bezetting ongewijzigd was gebleven. Een derde sterk punt zijn de verhalen: de kampverhalen, de levens van de personages en heel sterke beschrijvingen van de strafzaken zonder dat het saai wordt (wat heel goed zou kunnen). Boeiend is ook de worsteling met het geloof die tot uitdrukking komt in de gesprekken van Opzomer met de pastoor met wie hij een hotelkamer deelt.
HH: Ja, heel goed geschreven! Ik kreeg echt de indruk: zo was het toen. Zoals de continue dreiging, de angst voor roekeloze, opstandige Indonesiërs, en het verval van de positie van de Nederlanders in Nederlands-Indië. Dat laatste komt o.a. tot uiting wanneer Opzomer de statige portretten van de gezagdragers uit de negentiende eeuw die op het departement van Justitie hangen, vergelijkt met de slecht geklede Europeanen van dat moment. Citaat: ‘Tempo doeloe is voorgoed voorbij.’
HK: Daar duidt de titel van het boek ook op. Eén keer wordt rechtstreeks verwezen naar die titel wanneer de ik-figuur schrijft dat hij en zijn lotgenoten ‘de verdoemden waren van het laatste uur’.
HH: Je noemde de gesprekken met de pastoor. Die hebben vaak een filosofisch karakter. De pastoor wordt met een anti-roomse pen neergezet, in de sfeer van de vaak sterke tegenstellingen tussen protestanten en katholieken van die tijd. Toch is er sprake van een dialoog. Als lezer kan je bij de ik-figuur naar binnen kijken en dan zie je dat hij twijfelt of hij het wel bij het rechte eind heeft met het rationeel neersabelen van het geloof van de pastoor.
HK: Wat ik een van de sterkste scènes vond, was het gesprek, in het eerste deel, tussen Opzomer en zijn baas in Soerabaja. De hele sfeer waarin dat gesprek plaatsvindt. Die baas, Romkes, is voor de oorlog een hele meneer, een toean besar uit de koloniale tijd, geweest. Nu is het personeel weg, zijn vrouw is verpieterd en hij moet zelf zijn eten koken. Van der Hoogte laat met zo’n scène de neergang van het koloniale gezag zien, zonder dat rechtstreeks neer te schrijven. Heel knap! In dat verband valt het volgende citaat op: ‘Zij [i.e. de jeugd – HH en HK] vertrouwen op niets, hopen op niets en geloven in niets, behalve in een nieuwe oorlog. Wij veertigjarigen, die nog een naglimp van de gezapige welvaart der negentiende eeuw en de glorie van een koloniaal bewind hebben meegemaakt, zijn er veel slechter aan toe. Wij zijn wat men noemt “displaced persons”. (…) Romkes had gelijk toen hij zei dat Europa de oorlog verloren had en dat de geest van hen die de vooroorlogse tijd bewust hebben meegemaakt, ongeneeslijk ziek is.’
Een ander boeiend element is de twijfel die Opzomer heeft over het werk dat hij als officier van justitie onder deze veranderde omstandigheden moet doen. Hij beseft dat hij met één pennenstreek Pa Romat en de zeven moordenaars van Betty Doyle de doodstraf kan bezorgen. Maar heeft hij daarmee rechtgedaan?
HH: Opzomer denkt: technisch klopt het, maar wat ben ik aan het doen? Citaat: ‘Wie zijn wij dat wij ons het recht aanmatigen dit toneelstuk op touw te zetten? Kijk eens naar die ernstige gezichten die naar mij opgeheven zijn, alsof er van mijn lippen goddelijke woorden komen, de onfeilbare en enige waarheid.’ En dan verwijst hij naar Pontius Pilatus die uitriep: wat is waarheid? Citaat: ‘Maar wie heeft in de geest van deze Pontius Pilatus vermogen te schouwen? Wellicht werd hij aangegrepen door een ontzettende twijfel aan alles, aan zichzelf in de eerste plaats.’
HK: Opzomer noemt zichzelf laf. Maar zo zie ik het niet. Hij blijft op zijn post. Opzomer doet me denken aan de personages die F. Springer in zijn boeken opvoert: mensen die een functie uitoefenen die autoriteit uitstraalt, maar die die autoriteit zelf enorm relativeren. Ook het weemoedige in veel beschrijvingen doet mij aan Springer denken.
HH: Inderdaad, die verwantschap zie ik ook. Naast het Indische element dat beide schrijvers verbindt. Allemaal complimenten over het boek tot nu toe. Heb jij ook kritiek?
HK: Hij zet de Indische Nederlanders, zoals de ouders van Betty Doyle, als simpele, enigszins minderwaardige personages neer. Niet racistisch, dat is te sterk. Japanners worden ‘gele mannetjes’ genoemd, zoals het tijdens de Japanse bezetting van Indonesië en de naoorlogse periode onder de Nederlandse/Indische bevolking algemeen gebruik was om in deze pejoratieve termen over de Japanse bezettingsmacht te spreken. Lees Rudy Kousbroek er maar op na in zijn boek Het OostIndisch kampsyndroom. Tegelijk echter schrijft Van der Hoogte positief over Indische ambtenaren, hun loyaliteit, ondanks de ‘karige beloning en weinig getoonde erkentelijkheid van de zijde van het gouvernement’. Soms met een hoge kans op wraakacties vanuit de Indonesische bevolking. Tegelijk gaan de Nederlanders ook niet vrijuit. Zo schrijft hij: ‘al trad deze [de Hollandse luitenant – HK en HH] ook wat ruw en goedmoedig-lomp tegen hem op, zoals ook sommige dienaren van het Nederlands-Indische gouvernement bijwijlen gemeend hebben tegen hun bruine broeders en medewerkers te moeten optreden.’
HH: Een grote, sterke Indonesiër wordt een chimpansee genoemd. Dat neigt naar racisme. Sommige personages, zoals de meeste vrouwen, worden vanuit een hinderlijk klassenbewustzijn beschreven. ‘Een kleine, vulgair-knappe vrouw’, dat soort omschrijvingen. Maar ik denk dat het wegvalt tegenover de rest van het boek en de boeiende bijfiguren zoals de Joodse arts die verdacht wordt van een misdrijf en de onsympathiek overkomende arts die assisteert bij de terechtstellingen, maar kort daarop zelfmoord pleegt.
HK: Het verbaast me dat Alfred Birney Het laatste uur niet noemt in zijn vuistdikke essaybundel Zwerfpost tussen Oost en West. Wat mij ten slotte nog verraste, was dat ik pas tegen het eind van het boek besefte dat het verhaal de aantekeningen zijn die Opzomer in zijn dagboek opschrijft. Het knappe vind ik dat dat niet eerder expliciet wordt gezegd, en dat je door de stijl helemaal het verhaal in wordt getrokken.





@ Els Kort