In Nomine Discipuli

Je hebt mij vermoord.

Heb ik het niet goed gedaan, vader? De woorden dwarrelen neer in het stoflicht dat door het glas in lood breekt.

Hij zit achter zijn bureau in het oude schoolgebouw. Hij wilde nog één gesprek, onder vier ogen, als verstandige mensen. Op tafel: twee glazen, één fles. Ik heb hem de drank ingeschonken die hij mij ooit gaf, toen ik nog een jongen was met inkt aan mijn vingers. Dezelfde drank. Dezelfde woorden. Zelfs dezelfde glimlach.

Sterke drank maakt van jongens mannen, zei hij toen. Nu maakt het oude mannen zwak. Hij lacht nerveus. Hij zegt dat hij niet alles meer weet, dat de tijden anders waren.

Maar ik herinner me alles.

De lessen typografie waarin zijn hand op mijn schouder rustte, te lang. De stem die fluisterde dat ik mooi recht moest zitten, dat ik een voorbeeldige jongen was. De nachten dat hij me in zijn kamer riep. De drank, het gelach, de hand in mijn nek. Hij kende elke angst die ik had, elke zwakte. Hij verzamelde ze, koesterde ze, als kostbare trofeeën van zijn macht.

Nu zijn de rollen omgekeerd.

Hij zit met zijn rug tegen de muur, loom van de drank die ik hem blijf bijschenken.

Ik sta. Zoals hij toen stond en gebruik zijn woorden tegen hem:

Je moet ontspannen, vader. Het is beter als je stil blijft.

Ik pak het houten liniaal dat op zijn lessenaar ligt, de stok van discipline.

Dan begin ik te spreken. Niet tot hem, maar tot de muren, tot de schimmen van leerlingen die hier nog altijd zwijgen.

Broeders en zusters, zeg ik, en ik hoor mijn eigen stem weerklinken.

Vandaag gaat de les over gehoorzaamheid. Over hoe men een kind leert dat stilte een deugd is, en angst een vorm van liefde.

Hij wil iets zeggen, maar ik hef mijn hand. Zoals hij dat vroeger deed.

Vandaag, vader, zal ík preken.

Ik zal u de catechismus van macht voorlezen, zoals u mij die onderwees.

Artikel één: Wie zwijgt, stemt toe.

Artikel twee: Wie gehoorzaamt uit angst, wordt medeplichtig aan zijn eigen vernedering.

Artikel drie: God was nooit in dit college aanwezig.

Ik loop naar het bord en schrijf het woord VERGEVING met krijt. De letters kraken. Dan streep ik het door.

Hij ademt zwaar, kijkt naar de grond. Het zweet parelt langs zijn slapen.

U hebt altijd gezegd dat fouten bestraft moeten worden.

Dat wie liegt, moet biechten. Dat genade pas komt na schuldbesef.

Vertel me dan, vader, bent u bereid uw eigen les te leren?

Emilie Heirbaut

Emilie Heirbaut (Sint-Niklaas, 2000) schreef als kind al veel verhalen en poëzie. Na haar studies Taal- en Letterkunde Frans en Engels werkt ze momenteel als leerkracht Frans, maar haar literaire zoektocht bracht haar terug naar de sporen van haar moedertaal. Emilie schrijft poëzie en korte verhalen; haar werk verscheen onder andere in Het Gezeefde Gedicht. Gefascineerd door geschiedenis legt ze in haar teksten de vinger aan de pols van actuele gebeurtenissen en ze weeft deze in een breder, verhalend perspectief. Emilie debuteert als schrijver en werkt aan het verder uitbouwen van haar poëzie en proza.