Moederland
De villa met de ronde gevel stond wat verstopt in een smal straatje, weg van de baan die van het Gyeongbokgung-paleis naar het noordelijk deel van Seoel voerde. Vlakbij was er een school waarnaar de bushalte genoemd was. Met wat goede wil kon je de naam verstaan en tijdig op de knop drukken, al moest je daar wel goed voor opletten. Dit huis, gerund door een protestantse pastoor die lang geleden nog voor de Koreaanse kerk in Bern had gewerkt, was tot voor enkele jaren een toevluchtsoord voor Koreaanse geadopteerden uit alle hoeken van de wereld die terugkwamen naar ‘Het Moederland’.
De zwarte gietijzeren poort aan de ingang had een toetsenbord met cijfers, de combinatie ben ik al lang vergeten, en leidde via een smal pad door de tuin naar de ingang, met alweer een deur met een code, die bij het opengaan een belletje liet klingelen. Voor de meesten van ons, vooral voor hen die voor het eerst in Korea waren, was er een eerste hindernis overwonnen: het vinden van het guesthouse, na een reis van gemiddeld vijftien uur, in een roes van vermoeidheid, desoriëntatie, verwachting en opwinding. Twintig jaar na mijn eerste bezoek aan mijn geboorteland, en talloze verblijven in Seoel, moet ik vaststellen dat dit gevoel vrijwel onveranderd is gebleven.
Beneden aan de muur hingen vier klokken, elk een andere wereldtijd aangevend, om als het ware de plekken te benoemen waar wij als Koreaanse kinderen naartoe waren gevoerd. Er was een grote gemeenschappelijke tafel waarrond we samen aten maar vooral vertelden, onszelf herkenden in elkaars verhalen, lachten en huilden. De magie van de plaats lag hem hierin, dat het een soort van thuis was geworden voor de Belgen, Nederlanders, Amerikanen, Fransen, Zwitsers en Noren die ook allemaal Koreaans waren, al wist niemand van ons wat dat nu precies inhield.
Ik was zevenentwintig toen ik voor het eerst terugging. Gedreven door een onbestemd verlangen, als door een onzichtbare kracht naar ginder getrokken, was ik het vliegtuig ingestapt met een grote, veel te zware rugzak, een ticket rond de wereld en stevige wandelschoenen die fel zouden contrasteren met de elegante pumps van de verfijnde Seoulites.
Als je me destijds had gevraagd waar ik vandaan kwam, of beter gezegd waar ik van was, had ik je zonder aarzelen meegedeeld dat ik Belgische was, opgegroeid in een klein Kempens dorp tegen de grens met Nederland, mijn lokale accent als onmiskenbaar bewijs. Bij de meesten verscheen er dan een vragende blik, een korte aarzeling, een moment van verwarring, veroorzaakt door de dissonantie tussen mijn Vlaamse achternaam, het vloeiend Nederlands en mijn typisch Aziatische trekken. ‘Korea’ was een woord dat ik kende van de bundel flinterdun vergeeld papier die destijds met me meegereisd was op de KLM-vlucht van Seoel naar Zaventem, maar die verder weinig betekenis had.
Het was april 2005, een uitbundige lente van roze kersenbloesems. Wat me bijgebleven is van die eerste trip zijn de geuren, kleuren en klanken van dit verre land, en de volstrekt onbekende en verrukkelijke ervaring een straat over te steken en me gespiegeld te voelen in elke persoon die mijn pad kruiste. Wat gepland was geweest als een toeristisch bezoek, werd een reis die mijn leven zou veranderen, al zou het nog vele jaren duren vooraleer ik me ook echt Koreaans zou voelen.
Er was het eten. Opgegroeid met brood en aardappelen, boter en room, met mes en vork, wist ik niet beter dan dat er zo gegeten werd, met slechts regionale verschillen in de landen om ons heen. Jaren geleden had een vriendin me voor het eerst meegenomen naar een Koreaans restaurant in San Francisco. De Koreaans-Amerikaanse eigenaar en zijn vrouw hadden me wat meewarig en hoofdschuddend gadegeslagen toen ze me zagen sukkelen met de stokjes, niet wetend wat ik aan moest met al die schaaltjes gevuld met vreemd geurende bijgerechten, banchan. Het voorstel dat ik zou kunnen trouwen met hun oudste zoon heb ik bij het dessert toch maar afgeslagen.
In Korea was elke maaltijd een feest, opgediend op lage tafels. In kleermakerszit op vaak verwarmde vloeren ontdekte ik soepen in sissend hete stenen potten, gefermenteerde groenten en gegrilde varkensbuik gewikkeld in geurige sesambladeren. We slurpten handgesneden noedels in ijskoude bouillon, verfijnd met azijn en mosterd waar je ogen van gingen tranen, en het dessert was een genot van rode bonen en gecondenseerde melk op een toren van geschaafd ijs. In de straten vonden we gegrilde maïs aan de kolf, rijst in zeewier, kimbap, en nog meer rijst in de vorm van witte staafjes in een vurig rode saus, tteokbokki, het Koreaanse equivalent van onze frieten.
Wie had kunnen bedenken dat ik hier mijn lievelingseten zou ontdekken?
We bezochten de tempels en bogen eerbiedig voor de reusachtige gouden boeddha’s, bewonderden eeuwenoude boeddhistische teksten in Hanja-schrift, gekerfd in houten drukblokken, zorgvuldig geconserveerd door zwijgzame monniken in grijze gewaden.
Hijgend beklommen we de Koreaanse bergen en werden vinnig voorbijgestoken door luide oudere dames in felgelkleurde joggingpakken, een zonneklep over hun gepermanente haar geklemd. Op de rustplaatsen dampte de weeïge geur van gestoomde larven uit grote ketels en dronken we dorstig uit heldere bergrivieren.
Tijd en ruimte vervaagden in deze maanden waarin we leefden op het ritme van de dag, van maaltijd naar maaltijd, met de stille vraag hoe het geweest zou zijn als we hadden mogen blijven.
Zeven maanden oud was ik toen ik Belgische werd en mijn Koreaans-zijn, identiteit, taal en cultuur werden uitgewist, vervangen door een Vlaams alter ego, een gelukkig leven desalniettemin.
Maar daar in Korea, waar de mensen op mij lijken, waar de brillen op mijn neus passen en de melodie van de taal mij in slaap wiegt, waar generaties Koreanen mij voorgingen en ik de vrouw zou vinden die mij op de wereld zette, vond ik een stukje van mezelf waarvan ik nooit wist dat ik het kwijt was.
Heeji Jacobs
Ze werkt momenteel aan een reeks essays waarin zij thema’s als adoptie, identiteit, afkomst en familiehereniging onderzoekt. ‘Moederland’ is haar eerste publicatie.
Meer informatie is te vinden op haar Instagramaccount heejijacobs, waar zij vertelt over haar vele reizen naar Korea en de hereniging met haar Koreaanse mama.
Heeji brengt graag tijd door met familie en vrienden en houdt behalve van lezen van lange wandelingen, schilderen en tekenen. Zij woont in de buurt van Zurich met haar zoon en is thuis in België, Zwitserland en Korea.



@ Chris van Houts
