De man uit Abu Dhabi

Kort verhaal

De espressomachine was het meest waardevolle dat we hadden, en zelfs dat bezaten we niet echt. We huurden haar van de man uit Abu Dhabi, voor een bedrag dat ik liever niet opschreef. Soms droomde ik dat ze gestolen werd, of dat ze plots in brand vloog. Dan werd ik wakker met gebalde vuisten en wilde ik Hassan een klap geven, ook al was het natuurlijk niet zijn schuld.
    Ik kleedde me haastig aan. Hassan sliep nog, opgerold als een kat in de hoek van de kamer. Ik sloop naar buiten, want ik wilde hem niet wakker maken. Voor het middaguur had je toch niks aan hem.
    Buiten was het koel. Op het binnenplein wasten de Indische arbeiders zich voordat hun busje hen naar de bouwsite bracht. Salam alaykum, zei ik. Alaykum salam. Verder dan dat kwamen we niet. Daarna gingen onze talen uit elkaar.
    Mijn hemd stonk. Ik waste snel mijn gezicht en oksels. Ik piste achter een muurtje waar het dorp plots ophield en je de woestijn kon zien.
    Er was nog niet veel verkeer. Achter de glazen deur van de winkel stond de espressomachine te blinken als een prachtige auto. Een last viel van mijn schouders. Natuurlijk stond ze er nog. Waarom zou ze weg zijn? Wie stal er nou een espressoapparaat? Het ding woog als lood.
    De winkel was niet groot, maar dat was niet erg. Zo viel het niet op dat we nauwelijks klanten hadden. Vroeger was er een piepklein restaurant geweest, maar dankzij een lening van de man uit Abu Dhabi konden we alles vernieuwen: glanzende tegels, een moderne bar en natuurlijk, als kroonstuk, de espressomachine, een La Marzocco Linea Classic van roestvrij staal.
    Ik zette de machine aan, zodat ze kon opwarmen terwijl ik de bonen maalde: Yirgacheffe, geroosterd in de hoofdstad. Ik woog de hoeveelheid koffie af voor één kopje, stampte de gemalen bonen aan en klikte het portafilter onder de groepskop. Ik vulde het waterreservoir bij. De machine bromde betrouwbaar en koffie begon goudbruin over de uitloop te stromen. Ze deed het. Het bracht geen cent op en het kostte zelfs geld om die dure bonen voor mezelf te malen, maar daardoor wist ik tenminste dat de machine het deed en dat de bonen nog goed waren.
    Het was een eind na de middag. Hassan kwam de straat over gesjokt. Ik had ondertussen zelf de vloer gedweild en de ramen gelapt, want als hij het deed, was het toch nooit goed. Met zijn vinger tussen de pagina’s van een vergeelde paperback plofte hij neer.
    ‘Je maakt de stoel vuil,’ zei ik. Hij negeerde me en begon te lezen. Een of ander Amerikaans boek. Hassans Engels was uitstekend. Dat was het enige waarin hij beter was dan ik. Ik gooide een schort naar zijn hoofd. Als we klanten zouden krijgen vandaag, dan was het rond dit uur. Hij zuchtte en begon het schort al zittend om te knopen.
    ‘Hassan, het is een mirakel dat je benen nog weten waarvoor ze dienen,’ zei ik.
    ‘Waarom een mirakel, broer?’ vroeg hij.
    Ik wilde antwoorden, maar toen stopte er een witte SUV voor de deur. De auto van de man uit Abu Dhabi.
    ‘Stop dat boek weg,’ zei ik snel. ‘Hij is er.’
    De man uit Abu Dhabi dreigde nooit. Hij verhief zijn stem niet eens wanneer we de huur weer niet konden betalen. Hij voegde het gewoon toe aan de rekening. Hij zei niet wat er met ons zou gebeuren als het zo door bleef gaan.
    Het waren klanten. De auto was van hetzelfde model, maar deze hing vol modder en stof. Dat zou de man uit Abu Dhabi nooit laten gebeuren. Twee toeristen stapten uit. De vrouw had blauwe ogen, de man een rode nek.
    Hassan veerde overeind en bood hun de menukaart aan. Ik gaf hun mijn breedste glimlach, herinnerde me toen dat mensen dat soms intimiderend vonden, en perste mijn lippen op elkaar. Hassan vroeg hen in onberispelijk Engels wat ze wilden bestellen.
    ‘Mag mijn vrouw de badkamer gebruiken?’ vroeg de man.
    Hassan knikte. Natuurlijk. Mijn glimlach verdween volledig.
    ‘Dat is aan de overkant van de straat,’ zei Hassan. Ik probeerde hem te onderbreken, maar hij had de deur al geopend.
    Hete lucht walmde naar binnen. Vrachtwagens denderden over het wegdek. Hassan liet er een stoppen, zodat de vrouw kon oversteken. Ik bleef staan, met een theedoek en een kopje dat al lang schoon was in de hand.
    Ik vroeg de man of hij alvast wilde bestellen, maar hij zei dat hij liever op zijn vrouw wachtte. Natuurlijk, zei ik. Hij keek rond. Wat zag hij? Zijn blik gleed over de La Marzocco, maar uiteindelijk pakte hij Hassans boek op.
    ‘Je bent een lezer,’ zei hij goedkeurend. ‘Wat vond je hiervan?’
    Ik had geen idee waarover het ging.
    ‘Goed,’ zei ik.
    Hij knikte en zei iets wat ik niet begreep. Ik kon alleen maar aan Hassan denken. Nu gaat hij met de vrouw naar het binnenplein, dacht ik. En nu laat hij hun onze badkamer zien: een gat in de grond waar je in je blote kont boven moet gaan hangen. Achteraf neem je water uit een ton om door te spoelen. Het stinkt er en er zitten vliegen op de rand van de ton. Iedereen die rond het binnenplein woont – ongeveer dertig volwassen mannen – doet er zijn boodschap, maar niemand poetst het.
    De man praatte verder. Over het boek, hoopte ik. Ik bleef knikken en zeggen dat ik het goed vond.
    Hassan en de vrouw kwamen te snel terug. De vrouw zei iets tegen de man wat ik niet begreep. Wat hadden ze gedacht? Waren ze misleid geweest door de glimmende espressomachine? Ze keken voor de vorm nog even naar het menu. Ze keken mij of Hassan niet rechtstreeks aan. De man glimlachte verontschuldigend en zei dat ze toch ergens anders heen gingen, sorry. Dat laatste herhaalde de vrouw. Sorry. Sorry. Dankjewel. Ze liepen naar buiten, naar hun besmeurde auto, en reden weg.

Pieter Van de Walle

Foto: Els Kort

Pieter Van de Walle is schrijver en bioloog. Zijn verhalen, gedichten en essays verschenen in Tirade, De Gids, Het Liegend Konijn, Hard//hoofd, De Revisor, De Optimist en Deus Ex Machina. Hij is één van de kernleden van de Klimaatdichters en recensent bij De Reactor. Hij is verbonden met de Universiteit Antwerpen en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Meer op https://www.nachtglas.be/ of @pieter.franciscus.m.