De trilling van een kastanje

Kort verhaal

Het licht is langzaam aan het terugtrekken. De avond is zwoel. Maar op mijn takken groeit pas een twijfelend laagje groen. Er zit een litteken in de vorm van een hart op het midden van mijn stam. De eerste blaadjes beginnen er voorzichtig op te groeien.
    Ooit zat daar een tak. Toen die werd afgezet bleef er een groot gat achter. Alsof er een ledemaat was weggerukt. Ieder voorjaar veranderen nieuwe twijgen mijn vorm. Sommige groeien met mij, andere leggen het snel af. Deze groeide al lang mee. Maar het gat groeide dicht, ik leefde door. Nu herinnert alleen het litteken nog aan de pijn die het ooit gedaan heeft. In de kern ben ik een kastanje. Diep onder de grond ontsproot ik en in de aarde sta ik geworteld.
    In een spleet in mijn bast is een metalen hart geklemd. De sierlijke krullen en het zachte roze contrasteren sterk met de onregelmatige schors van mijn dichtgegroeide hart. Een meisje had het hartje meegenomen. Misschien vond ze het in huis, een tierelantijn dat onbestemd rondslingerde in een doos. Onder mijn kruin ontmoette ze de jongen. Hun handen innig verstrengeld terwijl hun tongen nog voorzichtig aftastten. Maar zodra ze loslieten, bestond hun verbintenis alleen in hun hoofden. Hun liefde was nog te pril om erop te vertrouwen dat het ondergronds aan het wortelen was, dat er een kern zonder vorm kon bestaan. Ze kozen een plekje in mijn bast voor het hart om hun samenzijn te verankeren in de wereld.
    Ik weet dat het er zit, soms kriebelt het in de oksel waarin het vastzit. In de winter trekt de roest in mijn schors. Misschien laat het sporen in mij achter. Zoals de tak een litteken achterliet van een moment dat anders zoek zou raken in de tijd. Ergens voelt dat prettig. Zelfs kortstondigheid kan worden vastgepakt.
    De treurwilg hiernaast denkt dat het hem toekomt. Zielen die worden afgedaan, harten die opbloeien onder zijn ruisende toppen of incomplete mensen die verslagen hun weg vervolgen nadat ze zijn losgesneden. Dat de mensen hem automatisch kiezen om vreugde en verdriet mee te delen omdat zijn takken nu eenmaal dramatisch hangen. En hij heeft een punt, want hij is vaak liederlijk beschreven. Maar ik heb het al zo vaak zien gebeuren onder mijn ritselende bladeren. Liefdesgeschiedenissen die zich aaneenrijgen zoals de seizoenen aan de jaren, en de jaren aan de vergetelheid. Ik ben niet beschreven, maar wel getekend door liefde en verlies, ook al ben ik een kastanje.
    Een vrouw parkeert haar fiets naast mij in het gras. Ze zet het apparaat waarmee ze allemaal vergroeid lijken aan haar oor. De bas van de man in dat ding laat de lucht zachtjes trillen. Haar stem is zacht en warm, nieuwsgierig vraagt ze hoe het met hem gaat. Haar energie is springerig en een beetje gespannen. Maar met zijn antwoord voel ik de lucht om haar heen veranderen. Mijn wortels vangen het pulseren van haar aderen op. De spanning schiet de aarde onder haar in.
    Ze sluit haar ogen. Een toonbeeld van rust, maar er rollen tranen over haar wangen. Verderop komt een hond met zijn mens aanlopen. Hij stopt, snuffelt zachtjes aan haar been en kijkt naar haar op. Zijn mens slaat er geen acht op en loopt door. De vrouw kijkt naar de hond en voelt zijn poging om haar gerust te stellen, maar ze kan het niet ontvangen. Ze trilt. De hond wordt geroepen.
    ‘Hoe kun je dit nou doen?’ brengt ze uit na een lange stilte. Binnen in haar stormt het. Al die stofjes die met een rotgang worden vrijgemaakt, haar lichaam paraat om te doen wat er dan ook nodig is. Ik voel het om haar heen. Ze begint heen en weer te lopen.
    Abrupt stopt ze. Ze draait zich om en loopt naar mij. Haar ogen zoeken mijn bast af en blijven hangen bij het hart. ‘Betekent het dan niets voor je?’ Zacht snikkend legt ze haar hand op mijn hartvormige litteken. Haar vingers zoeken gedachteloos steun op de ruwe schors. En ik weet wat ik kan doen.
    Misschien is ze het vergeten, dat ik haar kan voelen en zij mij, zoals de mensen veel zijn vergeten. Hun leven is kort, hun aandacht is altijd bij de versnelling en dat wat voorbijgaat en ze niet vast kunnen houden. Ik weet dat het geen einde is. Er wordt haar nu een tak afgerukt, maar haar hart zal dichtgroeien. En ik houd voor haar vast wat in haar wereld niet meer zichtbaar is. Haar aanraking groeit mee in mijn litteken, haar energie vindt zijn weg via mijn wortels. Wat zij kwijtraakt in de tijd help ik haar herinneren iedere keer dat zij hier langsfietst. Ik zal hier staan, seizoen na seizoen.
    De tranen stoppen, haar hartslag gaat omlaag. ‘Ja, succes ermee…. Nee, ik zeg het niet dit keer,’ ze hangt op. Ze ziet het metalen hart en gnuift bitter bij de aanblik ervan. Maar dan kijkt ze omhoog naar mijn jonge bladeren. En zonder dat ze het weet, voelt ze het. Ze kijkt en ademt, ik tril zachtjes en diep. Voor een oneindig lang moment zijn wij één. Ze sluit haar ogen en zucht. Dan stapt ze op en rijdt de nacht in.

Sanne Helbers

Foto: Els Kort

Sanne Helbers (1986) is auteur en programmamaker. Ze maakt programma’s voor Studium Generale van de TU Delft. In 2021 verscheen haar debuutroman Alle kleuren van de nacht bij Ambo Anthos uitgevers. Momenteel werkt ze aan een absurdistische podcast over de TU Delft Library en aan haar tweede roman. Sanne woont in Rotterdam, maar is graag elders en stapt geregeld met haar backpack het vliegtuig in.

Meer proza/poëzie

Tygerstrepen
palm @ elskort@ Els Kort
E logo poëzie