Een kakkerlak met superkrachten

Kort verhaal

Iedereen lacht, vooral Sep, stomme Sep, met zijn slungelige, lange lijf, sprieterige armen en gemene grijns. Hij zit gehurkt op de rand van de voetbalkooi. Zijn puntige knieën steken boven zijn hoofd uit – hij lijkt op de bidsprinkhaan, bidsprinkhanen grijpen alles wat voorbijkomt.
    Of ik nou een jongen of een meisje was, vroeg hij vanmorgen.
    Een meisje, antwoordde ik. Als hij er niet zo gemeen bij had gekeken, was het niet eens zo’n gekke vraag, ik zag er nou eenmaal anders uit, tenminste: anders dan Fleur, Saar of Amelie. Zij hebben lang haar, oorbellen en een paardenstaart. En zo’n truttig stippeltjeselastiekje.
    Ik haat lange haren, oorbellen en paardenstaarten – en truttige stippeltjeselastiekjes haat ik al helemaal, maar ik ben absoluut, honderd procent zeker een meisje. Ik ben een stoer meisje, een bijzonder meisje, zo eentje die later bokskampioen wordt, of topscoorder van het Amerikaanse vrouwenvoetbalteam – iemand waarover Fleur, Saar, Amelie, Sep en al die anderen later trots zullen zeggen: daar heb ik nog mee op de basisschool gezeten.
    Ze zullen me bellen, brieven sturen, e-mailen – en schrijven dat ze zich schamen, dat ze het allemaal niet zo bedoelden en dat ze stiekem, eigenlijk, allemaal, stik-stront-knetterjaloers op me waren, maar dat ze toen te schijterig waren om dat toe te geven. Je weet hoe kinderen zijn, zou Fleur zeggen.
    Ik zou haar aankijken met een blik van ‘waar heb je het over’ en nonchalant mijn schouders ophalen. Ik moest door. Handtekeningen uitdelen aan mijn fans.
    Ik sta op.
    Sep steekt zijn poot uit, ik struikel opnieuw. Op mijn handpalmen branden twee flinke schaven.
    ‘Roos is een doos!’ roept Sep.
    Ik zeg niks, krabbel overeind en loop snel weg. Sprinkhanen zijn gevaarlijk in een plaag.

Op de wc spoel ik mijn handen schoon. Het bloed sijpelt in kleine sliertjes de gootsteen in, enkele druppels water spatten op de tegels boven de wastafel.
    Ik moet direct na de grote pauze, dat had de juf gezegd.
    Sep zal me sowieso uitlachen. Joep ook. De rest zal waarschijnlijk zachtjes gniffelen, gewoon, om mee te doen.
    ‘Je moet het negeren,’ had mamma gezegd. ‘Terugslaan,’ schreeuwde pappa eroverheen, ‘En van je af bijten.’ Daarna moest hij weer naar kantoor.
    Ik zucht. Ik wou dat dat kon. Dan zou ik, de eerstvolgende keer dat Sep mij trapt, duwt of stompt, mijn tong over mijn tanden laten glijden, als waarschuwing. Als hij dan toch nog een poot naar me uitsteekt, bijt ik. Keihard en van me af.
    Ik doe mijn ogen dicht. Het geluid van zijn knisperende botjes galmt door de gang – het gekraak is helemaal tot op het schoolplein te horen.
    Ik doe mijn ogen weer open. In de spiegel zie ik er bleek uit. Mijn tanden glimmen in het neonlicht.
    Ik wil hier weg. Ik wil met pappa mee, op zakenreis, naar Amerika, Afrika – soms moet hij helemaal naar Nieuw-Zeeland.
    Enkele waterdruppels glijden over de spiegel omlaag. Ik haal mijn schouders op. Ik kan niet naar Amerika of Afrika, en al helemaal niet Nieuw-Zeeland. Ik zit hier, gevangen, opgesloten achter waterdruppeltralies.
    Ik blaas mezelf langzaam uit. De tralies verdwijnen, mijn gezicht beslaat. Mijn wangen veranderen in dampige wolken, van waaruit het zachtjes begint te regenen.
    Het koude water doet pijn aan mijn vingers, maar ik blijf ze onder de kraan houden –dat moet, net zolang totdat er geen gevoel meer in zit: als iets gevoelloos is, voel je geen pijn meer, dat zegt pappa. Hij is ooit van een ladder gevallen en voelt nu niks meer in zijn linkerschouder. Het tintelt alleen af en toe nog een beetje, zegt hij.

Ik doe de kraan uit. Als ik een papieren doekje uit de dispenser wil trekken, graai ik mis. Er valt een hele stapel uit het apparaat. In de wastafel klonteren de doekjes samen tot een natte, witte drab.
    Ik prik erin met mijn wijsvinger. In de klont ontstaan kleine kuiltjes, het geheel lijkt op een van de plaatjes die ik zo ga laten zien. Ik had mijn spreekbeurt vanmorgen nog geoefend.
    ‘De baby-bidsprinkhanen komen hieruit,’ zei ik en ik tikte op de witte, schuimachtige smurrie. ‘Maar niet veel later…’ Langzaam gleed mijn wijsvinger over de pijl … ‘zijn er opeens heel veel kindjes.’ Ik raakte elke nimf even aan. Daarna legde ik de afbeelding terug op de keukentafel. Op het uitgeknipte tijdschriftpapier glommen kleine witte bolletjes in het eierzakje. Er zaten wel honderden eitjes in verstopt. Honderden…
    De bel gaat. Op de gang klinkt geroezemoes, gestamp, geschreeuw – Seps stem schalt overal bovenuit.
    Er loopt een rilling over mijn rug. Het voelt alsof honderden mini-Seps uit het eierzakje ontsnappen. Ze glieberen, glibberen, over mijn rug, mijn nek, mijn schouders – door de gang, naar het klaslokaal, en nog verder, totdat de hele school is gevuld met Sep-achtige plompende zeepbellen, die groeien als badschuim waar steeds meer water bij wordt gedaan.
    Ik pak de klont papier, knijp hem samen en blijf kneden, drukken, wringen, net zo lang tot al het water eruit is en ik het gevoel in mijn vingers weer terug heb.
    De klont is nu een harde bal. Ik leg hem op de tegelvloer en schiet – in één keer raak. Met links en binnenkant voet.
    Ik draai me om en ren de wc uit.

‘Wat hebben we zo?’ Saar propt haar jas in haar lockerkastje.
    ‘De spreekbeurt van Roos,’ antwoordt Fleur. Ze klikt haar locker dicht.
    ‘Roos is raar,’ zegt Saar.
    ‘Echt hè.’
    ‘Ja echt.’
    ‘Mijn moeder zegt dat dat komt omdat haar vader altijd weg is. Heb jij haar vader weleens gezien?’
    ‘Nee.’
    ‘Ik ook niet. Misschien heeft ze wel helemaal geen vader.’
    Ik loop naar ze toe. Ik wil schreeuwen dat ik de dochter ben van Brad Pitt, Robbie Williams, de koning voor mijn part – gewoon om die tuttebellen te shockeren.
    ‘Oh, hoi Roos,’ zegt Fleur schijnheilig.
    Ik zeg niks. Kyoko groeide ook op met alleen haar moeder. Haar vader was een heilige draak.

Op het prikbord hangt het plaatje van de bidsprinkhaan. In de rechterbovenhoek zit een scheurtje, de punaise aan de onderkant is eraf gevallen. De felgroene, driehoekige kop kijkt de klas in. Hij heeft vijf ogen.
    ‘Bidsprinkhanen zijn vraatzuchtig en kannibalistisch.’ Ik maak mijn lippen een beetje nat, zo komt de ‘vr’ beter uit.
    Sep grijnst gemeen. Als de juf even niet kijkt, doet hij me na. Fleur en Amelie giechelen.
    ‘Het zijn eigenlijk geen sprinkhanen, maar kakkerlakachtigen.’ Ik praat onverstoorbaar door. ‘Ze hebben reuzenantennes, een kop die alle kanten op draait, grijphaken, vleugels… Het zijn kakkerlakken met superkrachten!’
    ‘Iets rustiger praten, Roos.’ Met haar handen maakt de juf een dempend gebaar.
    Sep fluistert iets in Saars oor. Saar moet zo hard lachen dat de juf haar een waarschuwing geeft.
    Achter mijn ogen begint het te branden.
    Ik haal diep adem en ga verder. ‘Wisten jullie dat het vrouwtje de kop van het mannetje eraf kan bijten?!’ Fleur en Amelie giechelen niet meer. ‘En de vrouwtjes zijn veel groter dan de mannetjes.’ Mijn armen houd ik zo ver mogelijk uit elkaar: in mijn hoofd wordt het sprinkhaanvrouwtje een reusachtige, groene draak.
    Bijten. Van je af bijten.
    Ik recht mijn rug, laat mijn tong over mijn tanden glijden en kijk Sep strak aan.
    De klas wordt muisstil. Achter mijn ogen verschijnt eerst een lichte tinteling, dan voel ik helemaal niks meer.
    Mijn vingers smelten samen en veranderen in twee grote, groene grijphaken. Mijn hoofd tolt in steeds sneller draaiende rondjes op mijn nek.
    Als Sep opnieuw zijn mond opendoet, schiet ik naar voren. Hij spartelt, maar hij kan geen kant op: zijn langesprietlijf zit stevig vastgeklemd tussen de stekeltjes van mijn voorpoten.
    Met een harde, korte ‘knak’ kletteren mijn kaken op elkaar. Het klinkt alsof ik bijt op een sappig, vers worteltje.

Lotje Steins Bisschop

Foto: Els Kort

Lotje Steins Bisschop studeerde geneeskunde, epidemiologie en filosofie. Ze specialiseerde zich tot psychiater en kinderpsychiater en werkte tot 2022 als kinderpsychiater. Samen met Roselien Herderschee schreef ze twee non-fictieboeken: Dodelijke gekte – over moordenaars met een stoornis (2023, Atlas Contact) en Aanstellers of pechvogels? Burn-out ontrafeld (2021, Boom/ De Tijdstroom). Met Ceciel Jacobs schreef en illustreerde ze het prentenboek Knap (2024, uitgeverij Randazzo). Eerder publiceerde ze o.a. in: Hollands Maandblad, Tirade, DW B, Liter en Elders literair.DW B, Hollands Maandblad en Deus Ex Machina.

Meer proza/poëzie

@ Els Kort
E logo korte verhalen 1
E logo poëzie