Franje
Kort verhaal
Wanneer we met de pick-up trucks de woestijn inrijden, zit ik achter Youssef. Mijn reisgenoten hebben zich verdeeld over verschillende laadbakken, maar daar leek het me te koud; als enige ben ik binnen gaan zitten. De jongen duidt zijn vader, die de auto bestuurt, aan met ab. Daddy, zeg ik. Youssef herhaalt het woord aandachtig, dad-dy, en pakt het stuur beet alsof hij wil zeggen dat zijn ab geweldig goed kan rijden. De vader spreekt geen Engels en Youssef lacht steeds naar me. Zijn hoektanden zijn nog niet helemaal volgroeid, waardoor zijn voortanden lang lijken. Ten, zei hij en wees op zichzelf. Als hij in Nederland zou wonen, zou hij in groep zes zitten, de laatste groep waaraan ik les heb gegeven voor mijn pensioen.
Langs het raam schuurt zand. Op het getinte laagje dat de zon buiten moet houden zitten krassen, op de bekleding van de achterbank vlekken en stof. Met enige aarzeling leg ik mijn heuptasje naast me neer. De hoofdsteun van Youssefs stoel is slordig in doorzichtig folie gewikkeld en het portier naast hem rammelt. Wanneer ik het raampje opendraai knarst de ruit, waarna ik de hendel langzaam weer terugdraai. Youssef kijkt om en steekt zijn kinderduim omhoog.
De pick-ups voor ons klimmen de duinen op en duiken ervan af. Mijn reisgenoten ritsen hun winterjassen dicht. Youssefs vader maakt een grote bocht om de duinen heen en even later komen we bij de eerste stopplaats. Op rotsen staan kamelen en mannetjes met speren getekend. Youssef is ook uitgestapt, gehuld in een wollige jas die bijna tot zijn enkels komt. Hij strijkt erover alsof hij een knuffel aait.
In een tent warm ik me aan bedoeïenenthee van salie en kaneel. Er brandt wierook. Wierook en mirre, dat is passend voor deze eerste kerstdag. In een soortgelijk landschap, over de grens, ligt Bethlehem. Ik stel me voor hoe de Romeinen orde probeerden te scheppen met een volkstelling. Hoe een jong stel met het enige vervoer dat ze hadden over de barre vlakte trok.
Door een opening kijk ik naar de rotsen. Zo stelde ik het me voor. Ik boekte deze reis opdat ik diners, versierde sparren en kerstinkopen over kon slaan. Loskomen van de franje, zei ik tegen mijn zoon, leegte en stof zijn genoeg.
We rijden verder en het portier naast Youssef rammelt hard. Hij kijkt een videootje op een mobiel met barsten en als hij merkt dat ik hem gadesla, wijst hij ermee naar zijn vader. Daddy, zegt hij. Dan klimt hij naar de achterbank en toont me foto’s van een meisje en een kleuter. Hij noemt hun namen.
Ik laat hem foto’s zien van Nederland: van een boom met geel blad, van een meer, van mijn zoon. Hij gebaart dat hij er een van mij wil maken. Ik twijfel even omdat het mobieltje van zijn vader is, stem dan in. Youssef scrollt langs meer foto’s van dezelfde kinderen, waarschijnlijk zijn zusjes.
In de ochtend bezochten we tempels. Daar boden kinderen ritjes op ezels aan en ik vroeg een van hen of hij niet naar school moest. Tomorrow school, antwoordde hij. Onze gids haalde zijn schouders op: ‘Bedoeïenen, ze willen niet.’ De kinderen leken uit een roman van Charles Dickens gestapt, ze hadden een zekere mistroostigheid. Youssef niet. Hij stond vanochtend waarschijnlijk als eerste al klaar met zijn jas. Zouden hij en zijn zusjes om toerbeurten mee mogen? Of alleen hij, omdat hij een jongen is en de oudste?
Bij een rotsformatie die lijkt op een triomfboog stoppen we. Het is een imposante boog, op bepaalde stukken steil. Youssef klimt naar boven. Dat doet hij behendig, toch volg ik hem met mijn blik, en wanneer hij op het hoogste punt staat, maak ik een foto.
Een man met een kameel vraagt of ik een ritje wil maken. La – nee.
‘Where are you from?’ vraagt hij.
‘Holland. And you?’
Hij komt uit een dorp van vijfduizend inwoners aan de rand van de woestijn, allen bedoeïenen. Ik herinner me dat iemand van het gezelschap zei: ‘De bedoeïenen slapen in huizen, wij in tenten.’
Koude wind waait in ons gezicht. Riha, zegt de man en slaat zijn armen om zichzelf heen. Ik spreek het woord na, waarbij ik de laatste lettergreep uitblaas.
Youssef komt meteen naast me zitten wanneer we verder rijden. Hij heeft een sjaal met gekleurde strepen om en ik wijs naar de rode: red. Hij doet de sjaal af en geeft hem me. Nee, schud ik, en wijs op een andere streep: green. We benoemen nog roze, gele en zwarte strepen. Hij lacht weer naar me.
Mijn zoon had op zijn leeftijd ook van die lange voortanden die op onbewaakte momenten op zijn onderlip rustten. Tegenwoordig vallen ze nauwelijks op. Ik denk aan de kerstdagen die we samen vierden toen hij klein was. Dagen die bedolven raakten onder pakjes bij de boom.
De laatste halte is bij een heuvel vanwaar we de zonsondergang gaan bekijken. De pick-up stopt abrupt op de track en Youssef wordt door zijn vader naar buiten gestuurd om iets te checken.
Ik klim een stukje omhoog tot bij de anderen om de oranje bol achter de heuvelkam te zien zakken. Een eerste ster wordt zichtbaar; de nachten in de woestijn kunnen kraakhelder zijn.
Wanneer we terug naar ons kamp willen en Youssefs vader gas geeft, blijft de truck hangen. Hij zegt iets tegen zijn zoon. Youssef springt de auto uit en onderzoekt de voorkant, waarna hij zijn schouders ophaalt. Hij glimlacht nu niet. Zijn vader laat hem nog een keer kijken terwijl de anderen al vertrekken. Als we stranden stuurt de gids vast iemand om ons op te halen, maar zal de vader de truck zomaar willen achterlaten? En wanneer hun vervoermiddel het begeeft, zal hij niet meer voor de tochten gevraagd worden.
We komen in beweging en de rest van de rit rijdt de vader sneller dan voorheen. Er klinkt een geratel dat me niet eerder is opgevallen. Hoeveel moet het gezin zich ontzeggen voor een reparatie? Kleren, schoolspullen, om over speelgoed niet te spreken. Ik herinner me hoe graag mijn zoon een speelgoedje wilde, het water liep hem bij de gedachte in de mond. Ik zoek of er iets in mijn rugzakje zit dat ik aan Youssef kan geven. Een kleinigheid. Een balpen met opschrift? Die ligt in mijn koffer. Ik heb alleen zakdoekjes en desinfecterende gel bij me. En pepermuntjes. Wanneer ik Youssef er een aanbied, tikt hij vliegensvlug zijn vader aan om te vragen of het mag. Zijn vader zegt van niet, weigert beleefd met een gebaar van zijn hand.
Achter de krassen in de ruit hangt een oranje gloed in de lucht. Terwijl die langzaam grijs kleurt, op een hardnekkige streep na, besef ik waarom de vader weigerde: in de snoepjes kan dierlijk – niet halal – vet zitten.
Bij het tentenkamp geeft de gids een envelop aan Youssefs vader. Hij knikt en zijn hand verdwijnt meteen in zijn jaszak. Zijn zoon kijkt naar hem, afwachtend, alsof hij wil weten of het genoeg is. Op weg naar mijn tent hoor ik de pick-up in één keer aanslaan, een korte, droge hoest. Ik draai me om. Vanachter het autoraam lacht Youssef naar me en steekt een duim omhoog.
Rosanna Del Negro
Foto: Els Kort


@ Els Kort 2023

@ Els Kort