God geeft, God neemt

Lang verhaal

Deel 1

De slagerij bestaat al meer dan honderd jaar uit twee even grote delen. Naast werkplaats is ze ook winkel, een winkel in vlees. Wommel Grevel staat aan de roestvrijstalen slachttafel bezijden de gladde toonbank en zingt een lied van mededogen. Het komt zomaar in hem op.
    ‘Laat strooomen wateheren…
    Hoort hij het bulderen van de zee? Hij woont midden in het land.
    Vader voorzag een storm uit het noorden, een fel flitsend vuur. Als Wommel zichzelf in de winkelruit weerspiegeld ziet – het is nog donker buiten – ziet hij een rustig man. Tevreden misschien zelfs. Met zijn linkerhand op het vlees en in de rechter het grote mes maakt hij kalme, ronddraaiende bewegingen. Alsof hij een wiel naar zich toe draait. De punt van zijn mes in continu contact met de snijplank. Het geluid van het geslepen staal door de zompige vezels. Trefzeker snijdt hij het malse vlees in repen zoals zijn vader hem dat heeft voorgedaan.
    ‘Slagen in het slachtersvak, jongen…’
    ‘Ja, vader.’
    ‘…gaat over vakmanschap, de kracht van het ambacht, en de nederigheid van het geloof. Gehoorzaamheid, de minste willen zijn en je schikken naar Hem. Is het niet God die ons het leven geschonken heeft?’
    ‘Ja, vader.’

Sinds vaders verscheiden heeft Wommel een sepia foto van hem in de winkel, in een glimmende zilveren lijst met een symmetrisch bewerkte rand. Hij hangt recht boven zijn vitrinekast vol ongenaakbaar eerbetoon: Beste Ambachtelijke Slager, Sappigste Biefstuk, het meubel puilt uit. Op de onderste plank ligt een zware, zwart ingebonden Statenbijbel met koperen sloten. Vader had zijn vier slagershanden van God gekregen.
    ‘In Genesis, vader, staat geschreven: Al wat zich roert, dat levend is…’
        ‘…zij u tot spijze…’
    ‘…ik heb het u al gegeven…’
    ‘…gelijk het groene kruid.’
    Op de gelige foto zijn pezige gezicht. Streng maar rechtvaardig. Rechtschapen. Wommel heeft zelf meer van moeder. De mollige trekken, de zachte ogen. Maar het ambacht komt van vader, zo is het nou eenmaal gelopen. En het rotsvaste geloof. Wommels buik hangt half op de gladde, prijswinnende snijtafel. Zo vader deed, doet Wommel. Van slachtbank tot toonbank tot kassa. Met de jaren kapt hij de koteletten in één slag. Het tempo van stampende soldatenlaarzen.
    ‘Je bent een echte Grevel, jongen.’
    ‘Later wil ik net zulke handen als u, vader.’
    ‘De mensen willen kunnen vertrouwen wat ze eten. Ze willen jou vertrouwen. De mensen eten jou.’
    ‘Ja, vader.’

Overal waar vlees wordt bereid, in elk mortuarium, is het koud. In die ruimten zoemen de compressoren. Als nu zo’n compressor abrupt zou zwijgen, had Wommel opgekeken. Als kind rende hij hier iedere dag rond met zijn autootjes, terwijl vader de beesten uitbeende. Wommel is de stijve vingers gewend, en de noodzaak om in beweging te blijven en hard te blijven werken.
    ‘Ik noem Uhuw Naam, zoho waar als ik leef, mijn God, ik noehoehoehoem Uw Naam…
    De tegels verlenen de winkel een fijne akoestiek. Niet zo groot als een kerk, maar ruimer dan een douche.
    Het is al een tijd niet meer zo heel druk in de winkel. Anna vindt dat hij belegde broodjes moet gaan verkopen. Ze heeft het anderen zien doen. ‘Als een lunchroom.’ Maar het gaat niet aan om naar anderen te kijken, Anna. We verantwoorden ons aan God. Hij heeft ons dit leven gegeven en dit werk. Wij moeten nederig zijn.
    De koele adem van de ruimte, de geuren van rauw vlees, het zachte zoemen van de koelkasten. Soms, als hij naar buiten kijkt, waar het gele zonlicht zwaar op de straten leunt, voelt hij zich alsof hij onder water is, in zijn blauwe, koele ruimte achter glas.
    Achterin, door de deur naar de koelcellen, ritselt iets. Gescharrel, een zacht gesnuif.
    ‘Izzy!’

Een varken steekt haar koddige snuit door de deur, vragend. Waarom kijkt een varken toch altijd vragend? ‘Tut, tut, beest,’ zegt Wommel met een glimlach. Izzy mag niet over de drempel, de winkel in, en dat weet ze. Ze knort wat, schudt haar kop en scharrelt weer terug naar achter.
    Anna vindt het niet fijn dat hij een varken houdt in de slagerij.
    ‘Ze zit in de slachterij achter de winkel,’ zegt Wommel vaak.
    ‘Het is onhygiënisch.’
    ‘En als ik haar slacht is het wel hygiënisch?’
    ‘Bah,’ zegt zij dan, want hij weet donders goed waar ze het over heeft. ‘Wat moet je met dat beest? Slacht het, in godsnaam.’
    ‘Slagen in het slagersvak gaat niet over ambacht of geloof, Anna. Het gaat over liefde. Liefde voor het vlees. Alleen liefde kan een ambacht dragen. Alleen liefde kan een geloof dragen.’ Maar dat zegt hij niet. Hij is niet een man van woorden. Ja, van zingen misschien. Maar niet van praten. En al zeker niet van uitleggen.
    ‘Hoe groot zijn Uw daden, Heer… U hebt ahalles vohol wijhijsheid gemaakt.
    Wat valt er uit te leggen aan wat je overkomt, oog in oog met een slachtrijp dier? Wat valt er uit te leggen aan wat hem overkwam oog in oog met Izzy? Wommel weet het zelf niet eens. Onze diepste actoren zijn ons niet aan onszelf openbaard, dat weet hij. We zijn schepselen in de hand van God. Wie kan Zijn plan met ons doorgronden?

Izzy kwam op een maandagochtend, veertig dagen geleden. Wommel stond buiten aan de stoeprand en zag hem komen, de biggentaxi van Freriks, die schommelende truck vol stinkende en schreeuwende beesten, die door de dorpsstraat kwam aan geschommeld tot waar hij stond, en daar stopte, wolken blazend, krijsend, stinkend in de mist. Vroeger bracht Freriks vier of vijf varkens per twee weken, tegenwoordig is dat er één in de maand. Het dier kwam struikelend vanachter het schot in de vrachtwagen tevoorschijn en stond een moment stil op de laadklep om om zich heen te kijken, verwonderd, als je niet beter wist.
    ‘Wat een schoonheid, nietwaar?’ zei Freriks met een scheve lach, en schopte het beest in de richting van Wommel, die haar zomaar in zijn armen ving en vasthield.
    ‘Nou, nou, nou, een prachtig stel,’ zei Freriks en hij sloot de laadklep. De ogen van de zeug, klein en zwart als knopen, ontmoetten die van Wommel.
    ‘Ik noem je Ezechiël,’ fluisterde hij onwillekeurig.
    ‘Wat zeg je, Grevel?’ vroeg Freriks.
    Wommel schudde zijn hoofd. ‘Zij is… anders.’
Freriks knikte. ‘Het is een mooi exemplaar.’ Hij borgde de klep en tikte tegen zijn pet. ‘Tot de volgende, Grevel!’
    Toen zijn wagen weer wolken blazend weg was geschommeld, stond Wommel daar nog, het zeugje in zijn armen. Hij streek voorzichtig over haar zijdezachte vacht.
    ‘Ezechiël,’ zei Wommel met een glimlach. ‘Izzy.’ Het varken drukte haar snuit tegen zijn hand. Hij zou zweren dat ze ook glimlachte.
    Sinds die mistige ochtend zingt Wommel luider, uit volle borst. ‘Hoe groot zijn Uw daden, Heer… U hebt ahalles vohol wijhijsheid gemaakt.

‘Een varken als huisdier?’
    ‘Het spijt me, vader.’
    ‘Noem me niet zo.’

Deel 2

Wommel belt De Stadsbode: ‘Advertenties? Ik stop met alles.’
    Het dier steekt haar snuit weer langs de deur, voorzichtig. Een blij varken draait haar oren ontspannen naar voren en heeft haar staart in een krul.
    ‘Tut, tut, lieve Izzy,’ zegt Wommel, ‘met jou zet ik regen in vuur en vlam.’
    Hij legt de telefoon neer en geeft haar een kus tussen haar oren. Het dier knort diep in haar keel en schudt haar kop.

‘Het is onhygiënisch.’
    ‘Dat zegt Anna ook, maar ze is heel schoon, vader.’
    ‘Ik ben je vader niet.’
    ‘Hij zit achter de winkel in het abattoir.’
    ‘Ik zie hoe je dat beest aanhaalt. Wat zou moeder daarvan gedacht hebben? Slacht het.’
    ‘Alleen liefde kan een ambacht dragen. Alleen liefde kan een geloof dragen.’
    ‘Laat mij mijn laatste rust.’

De winkelbel brengt Mevrouw Heremans, de chique dame die te hard zingt in het koor. Ze is eigenlijk te oud om nog sopraan te zingen, maar niemand durft het haar te zeggen. Ze snerpt boven iedereen uit, de koorleden werpen elkaar blikken toe. Het is niet duidelijk of ze alles nog wel op een rijtje heeft.
    ‘Een pondje stoofvlees, jongeheer Grevel,’ zegt ze, en ze duikt voorover in haar tas om omstandig haar portemonnee te zoeken.
    ‘Een pond, mevrouw Heremans?’ vraagt Wommel. ‘Is dat niet wat veel?’
    ‘Niet voor Ad. Als je ziet hoe die zijn eten weg schrokt. En drie ons halfom.’
    ‘Meneer Heremans is niet meer onder ons, hè, mevrouw Heremans?’
    ‘Ik bedoel Ad ook niet, ik bedoel Peter. Hij eet me de oren van het hoofd. Het wordt tijd dat hij eens het huis uitgaat.’
    Wommel zwijgt. Wat heeft het voor zin, denkt hij bij zichzelf. De waarheid is ook maar de waarheid. Niet iedereen is geïnteresseerd in de waarheid. Hij vertelt haar toch ook niet dat hij achter in de slachterij een klapbedje heeft staan? Dat hij al een paar weken hier slaapt in plaats van thuis?
    ‘Ach toch. Nou ben ik mijn portemonnee vergeten,’ zegt mevrouw Heremans geschrokken. ‘Of hij is uit mijn tas gestolen. Dat gebeurt de laatste tijd wel vaker.’ Ze kijkt Wommel verontwaardigd aan.
    ‘Nou, mevrouw Heremans, kijkt u eens. Stoofvlees, ik heb er drie ons van gemaakt, en gehakt heb ik even niet. We verkopen even geen varkensvlees.’
    ‘Geen varkensvlees?’ reageert mevrouw Heremans fel. ‘Zijn jullie soms… Jullie zijn toch niet…’
    ‘Kosher?’ zegt Wommel. ‘Nee, dat niet. Maar er is gewoon even niets geleverd.’
    ‘Het wordt steeds gekker,’ verzucht mevrouw Heremans. ‘Maar ik kan het toch niet meenemen, want mijn geld is gestolen, dus ik loop overal achteraan.’
    ‘Weet u wat, mevrouw Heremans? Neemt u het stoofvlees lekker mee. Betalen komt de volgende keer wel. Ik schrijf het gewoon op.’
    ‘Nou, zeg, je lijkt wel… Een heilige wil ik niet zeggen, maar wel zoiets. Een profijt!’
    ‘Fijne dag, mevrouw Heremans! En tot zondag bij het koor!’
    ‘Nou, fijne dag, jongeman. Je vader moest eens weten dat jij zo’n charmante jongen bent. Alleen iets te dik. Nou, dag hoor, ik ga gauw.’
    Ze danst de winkel uit en Wommel begint diep in zijn keel te neuriën. ‘Laat stromehen wateheren…
    Ja, verdomd. Hij is gelukkig. Mag dat niet? Wat mag er allemaal niet, Vader? En wat is er eigenlijk zo onhygiënisch aan een varken?

Wommel hurkt, neemt de grote Statenvertaling uit de prijzenkast en loopt het abattoir in. Ezechiël komt op hem af, kwispelend met haar krul. Ze hoort ieder telefoongesprek. Geen slimmer en schoner dier dan zij. Ze verdient een grote poel om in te rollen om daarna lekker de modder te laten drogen en van zich af te schuren. Ze moet plantenwortels en gras te eten krijgen, en champignons en fruit.
    Misschien moet hij de zaak verkopen. Dan kan hij een huisje kopen aan de rand van het bos. Voor hem en Izzy.
    De brokken en pap uit de industrie zijn dik makend en overgewicht kan leiden tot blindheid door vetophoping rond haar ogen. Het roer moet om.
    ‘Ik heb Freriks gebeld,’ zegt Wommel.

Geen vlees meer in de koeltoonbank, dan zijn er ook geen klanten meer. ‘Vergeef het me, alsjeblieft.’
    ‘Enige professionele distantie tot je vak had ik wel van je verwacht. Ga niet van je werk houden. Dat loopt verkeerd af. Ambacht en Godsvrezen, dat is wat telt. Onze Lieve Heer, de God van het Oude Testament heeft geen genade met de weekhartigen.’
    ‘Nee, vader.’
    ‘Zelfs in mijn graf ben jij een kwelling.’
    ‘Ja, vader.’

Wat is de band van een mens met een dier? De mens praat, slaat taal uit, woorden, de tonaliteit in zijn stem. Een dier luistert, lijkt ons aan te voelen, alles te begrijpen. Ze legt haar snoet in zijn hand, komt tegen hem aan liggen, kijkt hem na als hij door de slagerij loopt. Als hij verdrietig is, zoekt ze hem op en geeft hem een kopje en een knor.
    Nu hij verteld heeft over hun nieuwe toekomst, holt ze springend in het rond en maakt blafgeluiden. Ze kwispelt, duwt tegen zijn dijbeen en kijkt hem aan, haar ogen half verborgen onder haar oren.
    Wommel bekijkt het beest met een glimlach als ze met haar wroetschijf de enorme Statenbijbel op zijn schoot openslaat bij het boek Ezechiël. Ze vleit zich tegen hem aan en hij leest hardop voor.
    ‘Ezechiël zag een storm aankomen vanuit het noorden. Er was ook een fel, flitsend vuur. En midden in het vuur was iets dat glansde als goud. In het vuur zag hij dieren. Ze leken op mensen, maar elk dier had vier gezichten en vier vleugels.
    Izzy knort in haar keel.
    ‘Zie je het voor je, Izzy? Beeldrijke taal!’ Wommel glimlacht. Varkens hebben een bovenmatige intelligentie, zeggen ze. Minstens zo intelligent als de mens. Ze kunnen niet praten, maar daarmee zijn de verschillen wel zo’n beetje benoemd. Wommel heeft geen onderzoek nodig om te zien wat Izzy precies begrijpt. Het beest luistert aandachtig. Soms trillen haar oren.
    ‘Toen gingen de dieren vliegen. Het geluid van hun vleugels klonk als het bulderen van de zee, en als de stampende laarzen van soldaten.
    ‘Anna zegt dat je onhygiënisch bent,’ mompelt Wommel in het oor van Ezechiël. ‘Vader vindt dat ook…’
    Ezechiël schudt zijn kop. Wommel lacht. ‘Kriebelt dat in je oor? Die woordjes? Onhygiënisch?’
Ezechiël schudt opnieuw haar kop.
    ‘Ja, ongelofelijk toch? Ze zijn zelf onhygiënisch.’ Daar schiet Wommel van in de lach en hij streelt het varken. ‘Kom, ik laat je de winkel zien.’
    Ezechiël schudt opnieuw haar kop, staat op en waggelt achter hem aan met trillende krulstaart.
    ‘Wat ben je zwaar geworden, Izzy. Ik doe wat ik kan, eerlijk.’

Ze zeggen dat een ongeluk meestal wordt ingeleid door een reeks minuscule verkeerde beslissingen, vaak op millisecondenniveau, voorafgaand aan het daadwerkelijke ongeluk. Dat is wetenschappelijk onderzocht. Alsof we er bewust naartoe werken. Of, religieus verwoord: het staat geschreven.
    ‘Je hebt moeders zachte ogen. Dit is een wereld van leven en dood, van eten en gegeten worden.’
    ‘Ja, vader.’
    ‘Gebruik mijn naam niet meer.’

Vaders prijzen in de kast glanzen strenger dan ooit, het glimmende bewijs van zijn gelijk. Hij voorzag een storm uit het noorden, een fel flitsend vuur. Ja, vader, ja, vader, ja vader, het is windstil.
Anna vindt dat Wommel geld moet binnenbrengen. Ze is er uitgeput van. ‘Het is normaal om te zorgen voor geld.’ Anna weet wat normaal is.
    ‘Als mevrouw Heremans en de rest van de klanten hun openstaande rekening betalen is er weer geld.’
    ‘Mevrouw Heremans is zo dement als een deur.’
    ‘Je moest je mond spoelen, Anna. Je bent respectloos. Laat God je niet horen.’
    Moeder was altijd dol op Anna: ‘Anna is een net meisje, Wommel. Ze is trouw en komt op tijd in de kerk. Verspeel haar niet.’

Is er liefde mogelijk tussen mens en dier? Is de band tussen mens en dier niet enkel bezien vanuit de mens, die dierenvriend? Is het een dier niet gewoon om het eenvoudige te doen: vreten, een warme slaapplek? Ik geef jou te eten en een warme slaapplek zolang jij springt als ik thuiskom en bij mij komt liggen als ik huil. Maar vaak heeft Izzy haar oren naar achteren gedraaid en hangt haar staart, net als haar kop. Varkens zijn toch sociale dieren? Of zijn ze dat alleen onder elkaar? Hoe staat een dier eigenlijk tegenover de mens? Zoals een hond die vals wordt? Of een kat met zijn oerinstincten? Een varken schijnt niets over te laten van een lijk, daarom maakte de maffia er vroeger gebruik van, en misschien nog wel. Een hok vol varkens achterin de tuin, de slachtoffers gingen in de trog en verdwenen spoorloos.

Als mevrouw Heremans de volgende ochtend de winkel binnenkomt is ze verbaasd dat de slager er niet is. De deur is nochtans open en alle lichten zijn aan. Mevrouw Heremans is gekomen omdat ze haar stoofvlees wil afrekenen. Ze heeft haar portemonnee gevonden, die had ze zelf thuis uit haar tas gelegd. Ze is toch zo verstrooid de laatste tijd. Dus die betaling moest worden voldaan, en al had ze daarmee makkelijk kunnen wachten tot zondag op het koor, ze wilde de slager ook nog aanspreken over dat hij maar drie ons stoofvlees had meegegeven, terwijl ze toch vijf had gevraagd. Peter kwam eten vanavond en zoals die jongen eet. Dat had ze hem toch verteld?
    Mevrouw Heremans staat eerst een tijdje te wachten. Dan tikt ze met haar sleutel op de toonbank. ‘Volk! Hallo? Jongeheer Grevel? Is daar iemand?’
    De foto van de oude Grevel kijkt haar streng aan. Op het zoemen van de koelelementen na blijft het zo stil, dat ze er warempel een koude rilling van krijgt, zeker als ze ineens in de achterruimte van de slagerij een geluid hoort. Snuiven? Knorren…?
    Mevrouw Heremans is iemand die op de dingen afstapt, parmantig als je wil, maar ze is in ieder geval niet snel bang. Waar zou zij nog bang voor moeten zijn, op haar leeftijd? Ze heeft een zoon grootgebracht en een man helpen sterven. Als je dat hebt overleefd, is er niet veel meer dat indruk maakt.
    Ze stapt op de deur naar de achterruimte af en opent hem met een ferm gebaar, zelfs enigszins verontwaardigd. Dat zit bij mevrouw Heremans nooit erg ver weg, want als die jongen hier ligt te pitten en te snurken in plaats van de klanten te helpen, dan begrijpt zij wel waarom het altijd zo stil is in de winkel en waarom Anna zo vermoeid oogt de laatste tijd. Vader Grevel zou het moeten zien, hij zou zich omdraaien in zijn graf.
    Ze trekt de deur open en staat oog in oog met een immens varken dat haar lodderig aankijkt. Het knort en smakt.
    Ze deinst terug. Waar kauwt dat beest op? Over de vloer verspreid liggen de verscheurde resten van een groot boek – is dat een bijbel? Aan flarden gereten, overal gekreukte en gescheurde bladzijden. En wat is dat rond zijn snuit? Die roodbruine kleur, is het poep? De stank van ijzer. Het beest hijgt en snuift en komt meteen dichterbij met zijn wroetschijf omhoog, vooruitgestoken happend. De witte tegels zitten onder de dikke rode spetters en vegen. En wat ligt daar?
    Wommels schort is gescheurd en dieprood. Er zijn grote happen uit zijn buik en bij Wommels hoofd ligt een enorme plas met daarin kleine zompige stukken. Is dat vlees?
    Waar is zijn gezicht? Alleen rood verbrijzeld bot en haar dat verwilderd aan die schedel kleeft.
    Als mevrouw Heremans niet krijsend in haar hoogste sopraan de winkel door was gestruikeld – daarbij andermaal haar portemonnee verliezend – en de straat op was gerend, had ze misschien op een van die losliggende bebloede bladzijden kunnen lezen:

Toen gingen de dieren vliegen. En het geluid van hun vleugels klonk als het bulderen van de zee, en als de stampende laarzen van soldaten. Het klonk als het lawaai van een grote groep mensen, en als de stem van de machtige God.

Stijn van der Loo en Ranjith Postma

Stijn van der Loo (1963) publiceerde vijf romans bij Querido. Daarnaast is hij schrijver van korte verhalen, toneel- en liedteksten. Is hij in zijn liederen mierzoet, in zijn proza is hij bikkelhard. Hij schreef tot op heden vijf romans, kwam op de longlist van de Libris prijs, won de Brabantse Schrijversprijs en de Halewijnprijs. Voor Brabant Literair schrijft hij elke drie maanden een kort verhaal. Behalve literator is hij ook componist. Als tekstschrijver/componist kreeg hij de Zilveren Harp van Conamus voor zijn liedjes, waarna hij als componist jaren samenwerkte met Huub Oosterhuis. Tegenwoordig componeert hij ‘klassiek’.
Ranjith Postma (1976) is geadopteerd uit een Sri Lankaans weeshuis met meer baby’s dan wiegjes. Hij is terechtgekomen in een Gronings dorp met meer koeien dan huizen en een gereformeerde kerk in het midden. Hij schrijft over ouder-kindrelaties, erkenning en identiteit. Worstelingen die hij zelf nog niet gewonnen heeft.