Over het ontstaan van eenhoorns en waarom ze zo nobel zijn
Lang verhaal
Soms zie je lijnen in de lucht. Waar de zon schijnt, en waar niet. De grens tussen paars en blauw en tussen blauw en oranje, en hoe ze stap voor stap verschuiven als wijzers op een klok. Lijnen waar de wolken uit elkaar vallen en waar nog net niet, dat zijn de blauwste lijnen.
Ik heb het horen regenen. Het tikken op de ramen. Inmiddels is het stil.
En lijnen waar de wolken al uit elkaar gevallen zijn, leeg gedropen, zodat de zon tussen ze door priemt.
De gebouwen zijn van gewapend beton. Ze verzetten zich tegen de verglazing. Grijze bunkers tussen de moderne, groene torens, schuilend onder een dikke laag mos, zodat ze niet opvallen. Camouflage is hun overlevingsstrategie.
Ik maak regelmatig foto’s van dingen die begroeid zijn met mos. Verkeersborden, parkbanken, vuilnisbakken, muren. Dat inspireert me. Dat de toekomst en het verleden tegelijkertijd te zien zijn.
De betonnen gebouwen klitten bij elkaar. Het glas drijft ze in het nauw. Ik maak er een foto van, ook al zal ik er waarschijnlijk nooit meer naar kijken. Ik kijk eigenlijk nooit naar oude foto’s.
Wolken breken uit elkaar in stapels zigzagwatten. Je kunt ze plukken als suikerspin. Ze plakken aan je huid, klitten aan elkaar, slinken door de aanraking van je tong. Iedere keer dat je je vingers los probeert te trekken, worden ze donkerder blauw. Dan breken ze open, slaan ze met regen op je neer. Je haar, zeiknat, je shirt, doorweekt. Je probeert de lijnen te zien. Ze wijzen naar je voeten. Je schoenen, een zwembad.
Soms zie je lijnen in het water. Reflecties van de lucht, de eerste zonnestralen, wolken die door de wind en golven in kleine stukken opgebroken worden. Of sterren. ’s Nachts zijn de golven altijd lager, de witte punten smalle lijnen die dansen op de rimpelingen.
Maar ook onderwater zie je lijnen. We springen in het water en duiken naar de bodem en we graven onze voeten in in het slijk om te voorkomen dat we naar boven drijven. Het wier, opstuivend stof, de mast van een gezonken zeilboot, zonlicht. Lijnen die van de aarde naar de lucht lopen. Bubbels die uit onze monden ontsnappen.
Er zwemmen vissen tussen de lijnen. Onder ze door, over ze heen. Ze weven de lijnen aan elkaar, zodat het water als geheel beweegt, in plaats van in losse stukken. Ik doe het je voor: ik wapper met mijn arm en boven ons ontstaat een golf op het oppervlak. Jij zwaait ook met je armen. Je golven reflecteren op de kant, interfereren met elkaar, tillen ons omhoog, uit het water, de lucht in.
Een vis springt uit het water en wordt gevangen door een eend.
Het moeilijkste van foto’s maken is het niet-foto’s maken. Te lopen zonder te stoppen of te pauzeren en zinnen te bedenken zonder ze op te schrijven in mijn telefoon. Niet nu, in elk geval. Ik wil ze bedenken en sluimerend onthouden, ik wil dat ze vluchtig zijn, zodat ik me er niet op vastpin. Anders kan ik niet openstaan voor nieuwe zinnen, nieuwe beelden.
De campus telt eindeloos veel stegen. Ik stelde mezelf altijd de verkeerde vraag. Ik vroeg: ‘Ben ik hier al eens doorheen gelopen?’ in plaats van: ‘Waar kom ik op uit als ik hier doorheen loop?’ Als ik niet weet waar ik uitkom, ga ik de steeg in.
Een bos. Een park. Een straat en een helling naar een kelder. De straat is breed genoeg voor drie vrachtwagens om naast elkaar te rijden, dan moet het een laadruimte zijn. Vaten vloeibaar waterstof, kisten glaswerk.
Soms zie je lijnen in de ramen. De ramen van de bibliotheek, bijvoorbeeld. Je zit te werken in de stilteruimte en staart uit het groen getinte raam naar de vijver in het grasveld achter het gebouw. Er lopen mensen langs die staren naar het water, naar de wolken, naar de lucht. Hoe het avond wordt of hoe het ochtend wordt. Zouden ze de lijnen zien, vraag je je af. Je sprak ze eens en je weet dat ze al maanden geen zonsopkomst hebben gezien. Ze wilden hun bed pas uit wanneer het licht was.
Je ziet de regen, tegen de ramen kletterend. Hoe het sporen achterlaat, hoe het lijnen trekt in het uitzicht. En als het weggetrokken is en opdroogt, blijft er een dunne laag zand achter. Het zand valt niet op, maar je weet dat het er is. Ze vertelden op het nieuws dat het Saharazand zou regenen.
Je ziet het gras. Hoe het lijnen zijn die naar de lucht groeien maar maandelijks weer door een maaier worden gekortwiekt. Je kunt ze oneindig vaak indrukken en oneindig vaak richten ze zich weer op. Je stelt je voor dat je op blote voeten over het gras loopt. Het is de vroege zomer in plaats van januari – al is het vandaag nog vrij warm voor een dag in januari. De grassprieten springen op tussen je tenen. Ze kietelen. Dan ga je op je rug liggen met je handen onder je hoofd, starend naar de wolken. Wanneer je overeind komt, blijft het gras platliggen.
Je ziet de bomen. Hoe ze net als het gras naar de wolken groeien. Ze slepen te veel met zich mee, daarom kunnen ze er niet komen. Alles wat ze in hun leven hebben verzameld, trekt ze naar beneden, hun bladeren als capuchons over hun hoofd getrokken. Je zou ze van hun hoofd kunnen trekken, maar als je ze deze tijd van het jaar al naakt en kaal achterlaat, terwijl de dagen nog langer moeten worden, zullen ze verwelken in de herfst. Je stelt je voor dat de zomer voorbijgaat en je voelt je schuldig dat je bomen hebt vermoord.
Je ziet de gebouwen. De betonnen gebouwen, groen uitgeslagen van het mos. Ze doen hun best om stevig te blijven staan. Robuust. Ze houden zich krampachtig aan de straten vast. Zij weten ook: ze zakken langzaam weg. Ze zijn te zwaar. Ze kunnen niet meer groeien, en al helemaal niet tot de wolken. Misschien is het de bewapening van het beton, denken ze zelf, maar jij weet dat dat het niet is. Je schudt mistroostig je hoofd.
Je ziet de wolken. Die is het wel gelukt. Lichamen zijn grenzen en zij zijn daar overheen gegaan. Zonder die inperking groeiden ze, zetten ze uit, tot hun dichtheid zo klein was, dat ze vanzelf naar boven dreven, tot aan de andere wolken die het eerder al gelukt was. Maar de wolken blijven groeien, ook al hebben ze de andere wolken al bereikt. Ze worden zo groot, dat ze uiteindelijk toch te zwaar zijn om te blijven drijven. Iedere gram trekt ze naar beneden en ze vallen uit elkaar. Je kunt hun lijnen zien, waar het gebeurt, het sterven.
En je ziet de lijnen op de ramen. De reflectie van de zon omdat het glas niet ontspiegeld is, de lijnen van de wind, waar die in stof en bladeren fysieke vorm aanneemt en zichzelf blijft overtrekken. Steeds dezelfde sporen, steeds dezelfde snelheid. Het maakt de ramen vies. En als er dan glazenwassers komen, zie je de strepen die ze achterlaten. Verticaal en mistig, als glazen tralies voor een glazen muur die moeten verzekeren dat je echt binnenblijft. Je kijkt om ze heen, in plaats van door ze heen. Toch vlieg je niet naar de zon. En natuurlijk zie je lijnen van de regen, want het blijft januari.
Ik zit naast je, in de stilteruimte van de bieb. Ik fluister dit alles in je oor, ook al mag dat niet. Je luistert en je knikt omdat je het allemaal begrijpt.
Als het mistig is, werpen de koplampen van je auto hun licht op miljoenen kleine druppels water. Elke druppel verspreidt het licht in alle richtingen. Ze nemen de functie van je koplampen over, ze worden ze.
Als het mistig is, moet je een lantaarn schijnen. Dan word jij de mist en de mist wordt jou.
In de natuurkunde is er een kwantummechanisch experiment dat fotonen of elektronen of andere kleine deeltjes gebruikt om lijnen te maken. Je schiet de deeltjes op twee gleuven af. Achter de gleuven staat een plaat, een receptor, die laat zien wanneer er een impact is.
Het gaat erom of je kijkt. Je wilt zien door welke gleuf de deeltjes gaan, maar je moet vertrouwen hebben dat ze erdoorheen gaan en ze zullen erdoorheen gaan, door beide gleuven. In plaats van twee lijnen zijn er meerdere lijnen, veel lijnen, allemaal verticaal. Het komt door de interferentie.
Als je de afstand tussen de gleuven kleiner maakt, creëer je nog meer lijnen.
Soms zie ik de lijnen in je ogen. Van de zon en de lucht en de wolken, van het water, van de bomen, het gras. De lijnen van de mensen om ons heen. Ze reflecteren op je hoornvlies. In je ogen staan ze allemaal rechtop, ook als ze in de wereld horizontaal zijn.
Maar ook jouw eigen lijnen. Ze zitten in je ogen. Je bloedvaten, het reliëf van je iris, je wimpers. Soms klemt er een tussen je oogleden. De lijnen in je ooghoek, die op papier altijd nep en overdreven aandoen als ik je probeer te tekenen.
In jouw ogen wordt de wereld aan elkaar geweven. Ik zie het gebeuren. Jij ziet het ook. Als je in de spiegel kijkt. Als je in mijn ogen kijkt, en je eigen reflectie terugziet staren, als je om je heen kijkt. Je ziet de lijnen, overal om je heen. Je ziet het weven. De lijnen verbinden ons met elkaar.
Hoe de planten permanent doorbuigen door de aanhoudende wind, ook wanneer die gaat liggen. Hun lijnen krommen zich, richten zich weer naar beneden nog voor ze van de grond losgekomen zijn.
Hoe de losse bladeren zich verzamelen in de wervelingen van de wind, cirkelend door dode hoeken van de bemoste gebouwen, tussen de bemoste picknicktafels. De tafels rotten, de gebouwen rotten. Ik maak er een foto van.
Hoe je vanaf de bovenste verdieping naar beneden kan kijken, gewoon terwijl je aan het werk bent. Over de rand van je laptop gluren, over de stoel aan de andere kant van de tafel, door de gaten in het hek van de reling. Hoe er mensen op een verdieping lager lopen, en hoe die de verdieping daaronder kunnen zien.
We vallen allemaal. We zijn te zwaar, te groot. En als we landen, vallen we uit elkaar.
Rottend hout en rottend steen. De foto van hun mos inspireert me. Met mijn gedachten ga ik naar de afbeelding. Ik hoef hem er niet bij te pakken. Ik kan me de lijnen zo ook herinneren.
De lijnen zitten in mijn hoofd, aan de binnenzijde van mijn schedel. Ik weet dat ze ook in jouw hoofd zitten. In het bot gekerfd door de kreukels in mijn hersenen, de taaiste van de kronkels. De ruwste. Ze schuren wanneer je nadenkt.
Als ik later oud ben, zal ik mijn hoofd uitgehold hebben. Mijn schedel is dan als een papieren vliegtuig. Het hoeft maar een keer op zijn punt te landen, en daarna doet hij het niet meer. Of in elk geval niet goed. Je zal altijd de kreuken in de lijnen zien.
Ik sluit mijn ogen. Mijn blik glijdt uit mijn oogkassen, richting mijn kruin. Ik volg de lijnen, hun kronkels, hun wendingen. Halverwege mijn voorhoofd strekken de lijnen zich. Kaarsrecht convergeren ze naar het hoogste punt van mijn lichaam. Daar boor ik mijn gat. Van binnen naar buiten. Het maakt een grommend geluid. Plots struikel ik. Ik val omver. Mijn boorkop is door het bot geschoten en steekt als een antenne tussen mijn haren in de lucht. Hij draait nog steeds, grijpt de haren, raakt verstrikt. De haren trekken zich strak, vervlechten, raken in de knoop, versmelten. Ik stop met boren. Mijn haar koelt af en vormt een hoorn.
Zo is mijn lijn het langste: alle lijnen in mijn lichaam parallel tegen elkaar gedrukt zodat ze constructief interfereren, elkaar versterken. Mijn blik klimt door het gat mijn hoofd uit, naar het puntje van mijn lijn. Hij glinstert als een regenboog en danst in de golven op het water.
Koen de Vries




