Standplaats Almere 2
Hotel aarde 19 –>
Zie ook Standplaats Almere 1
Ishana Sayag

Hotel Aarde 21
De herstelmaaltijd
Zondag werd mijn vader in Israël begraven. Op de donderdag erna kwamen eindelijk mijn man en dochter uit Nederland aan. Ik had ze niet gemist tijdens de rouwdagen ervoor, maar nu ze er eenmaal waren, kwam een deel van mij tot rust. Zo werkt dat, als je het goed treft met je geliefden — dan doet hun aanwezigheid iets essentieels met je. Of was het vooral het wegvallen van de vragen ‘waar is je man?’ en ‘waarom is je dochter er niet?’ die ik dagelijks meerdere keren had moeten beantwoorden?
Voorzichtig kwamen ze binnen, samen met Adele, de dochter van mijn zus Liat, alsof ze de status quo niet wilden verstoren. Oranits vriendin, die hen van het vliegveld had opgehaald omdat wij het ouderlijk huis niet mochten verlaten tijdens de sjiva, de rouwweek, liep kletsend achter hen aan. De emoties stonden op hun gezichten te lezen. Er klopte iets niet. Geen opa Shalom op de bank —alsof de regen omhoogviel. Een vol huis, en toch vreemd leeg.
en familieomhelzing met z’n drieën. Arno snikte kort. Het verstoorde evenwicht in huis had hem diep geraakt, zei hij later. Kira trok zich iets terug en keek me aan; haar ogen glansden, rood en bezorgd. ‘Mam, hoe gaat het met je?’ Altijd zo meevoelend.
Ik was vooral opgelucht dat al het corona-gerelateerde reisgedoe even achter ons lag, en dat ze nu hier waren. ‘En jij, lieverd?’
Tranen rolden over haar wangen, verdriet vermengd met schuldgevoel: dat ze geen afscheid had kunnen nemen van opa, dat ze de toetsweek op school voorrang had gegeven. Ik hield haar vast. Aan de telefoon had ik haar al gezegd dat het prima was. Oorspronkelijk zouden we een week later, in de meivakantie, komen. Dat het met opa zo snel zou gaan, had niemand voorzien. Toen ik mijn vlucht noodgedwongen vervroegde, had ze nog getwijfeld of ze met me mee moest komen. Maar toen was opa al buiten bewustzijn. Dat beeld wilde ik haar besparen. Nu had ze geen uitleg meer nodig. Alleen ruimte voor wat er was.
Toen ze er waren, stroopten Kira en Adele de mouwen op en gingen aan het werk. Ze schonken koffie voor oma en voor mij, vulden de tafels met drank en versnaperingen en ruimden de gebruikte bekers en etensresten op. Net zoals Liat en ik het ruim tien jaar eerder hadden gedaan toen ma rouwde om haar moeder, oma Shoshana.
‘Wat goed dat Arno er is,’ zei mijn moeder. ‘Hij kan vanavond in de mannentent de herstelmaaltijd serveren.’ Die onverwoestbare pragmatiek, die had ik van haar. Aan het einde van de sjiva hanteren de Jemenitische Joden een Havra’a-maaltijd, een herstelmaaltijd. Die wordt aangeboden aan alle aanwezigen: familie, buren, vrienden en leden van de gemeenschap. Samen eten is niet alleen een intiem gebaar van troost richting de rouwenden, maar ook een collectief ritueel van verbondenheid. Het is een manier om de gemeenschap te bedanken, die zo actief betrokken was geweest bij het rouwproces. Door samen te eten steunt de gemeenschap de rouwenden in hun terugkeer naar het leven. Tegelijkertijd is het een tikun, een spiritueel herstel: een manier om de ziel van de overledene rust te geven.
‘Vanavond al?’ vroeg ik. ‘Het is nu pas dag vijf van de sjiva.’ Een rouwweek duurt zeven dagen. Ik was nog niet klaar; ik had nog tijd nodig.
‘ Ja, maar morgen is sjabbat,’ De sjiva zou zondag eindigen, waardoor de herstelmaaltijd – die het einde van de rouwweek markeert – op de donderdag ervoor viel. Op zondag zouden we teruggaan naar het graf om de rouwperiode officieel af te sluiten.
‘Maar Arno is een goj?’ Voor mijn ouders was zijn niet-Joodse afkomst altijd zo’n los draadje. ‘Mag hij de mannen dan wel serveren?’
En wat bleek? Eindelijk deed zich een situatie voor waarin een goj beter geschikt was voor de taak dan een Jood. Omdat een niet-Jood geen deel uitmaakt van het rouwritueel of het gebed, staat hij buiten de religieuze hiërarchie. Wanneer hij serveert, is er geen sprake van ondergeschiktheid; het is een gebaar van respect.
Zo gezegd, zo gedaan. In de avond liep Arno, samen met iemand van de catering, van tafel naar tafel in de mannentent, de Jemenitische kippensoep uitdelend aan de biddenden. In de achtertuin bedienden Kira, Adele en een paar andere dames de vrouwen.
Arno als bediende, omringd door een zee van biddende Joodse mannen — dat was een tafereel dat ik nog niet eerder had gezien. Nieuwsgierig stond ik voor de tent om het zelf te aanschouwen. Als een wervelwind raasde hij van tafel naar tafel, de grote roestvrijstalen soepkan stevig in zijn hand. Met een geconcentreerde zwaai schonk hij de dampende soep in de kommen met kip en aardappels voor de mannen op tafel, zijn ogen strak gericht op de rand van elke kom. Een warme gloed omsloot mijn hart: mijn man, die deel uitmaakte van mijn Joodse gemeenschap.
Toen zag ik hem: pa. Mijn hart stopte met kloppen. Hij zat op een stoel, met een kom voor zich, wachtend op de soep. Mijn pa, te midden van de mannen die hier waren om bij te dragen aan de helende reis van zijn ziel.
Genageld stond ik daar. Ik wilde hem roepen, wilde naar hem toe rennen. Voordat ik iets heel geks deed, wilde ik het zeker weten. Ik schoof mijn bril van mijn haar voor mijn ogen. Het beeld werd scherp, maar scheurde weer uiteen.
Hij was er even, en toen niet meer.
Hotel Aarde 20
Drie cent
In 2001, na twee jaar legerdienst als tandartsassistente, vertrok ik, zoals zoveel andere Israëliërs, op backpackreis. Het moest! Die drang kwam uit mijn tenen: weg, nieuwe werelden ontdekken, andere culturen, een ander tempo van leven, een andere ik, en meester over mijn eigen pad. De meest gangbare backpackroutes voor een recent uit dienst getreden militair waren het Verre Oosten en Zuid-Amerika: ergens exotisch, ver weg en betaalbaar, een avontuur. In de reiswinkel De Reiziger in Tel Aviv koos ik voor het Verre Oosten en kocht ik een retourticket met open terugvlucht. Ja, ik ging écht die reiziger worden, de eerste uit mijn familie.
Dertien maanden was ik onderweg. Ik reisde door India, Thailand en de Filipijnen, werkte daarna in Japan om mijn kas bij te spekken – een kraampje op straat, zilveren juwelen verkopen aan dronken Japanners, en keerde vervolgens terug naar India, een land dat me voorgoed betoverde. Het was niet alleen de adrenalinerush van reizen in een (budget)vriendelijk land, met zijn afwisselende landschappen, rijke cultuur en intense zintuiglijke indrukken. Nee, India raakte mijn ziel. Te midden van de drukte – rijdende riksja’s, bedelaars, koeien, geuren van straateten, vuil en open riolen, het constante lawaai – voelde ik een onverwachte kalmte, licht en vrij. Het land, in al zijn uitersten, bood tegelijk chaos en stilte: non-dualiteit, advaita, boeddhisme – een uitnodiging om aandachtig te kijken, voorbij de ik, en de altijd aanwezige innerlijke rust telkens opnieuw te ervaren. Een nieuwe en zeer welkome gewaarwording.
Toen het geld op was, vloog ik terug naar huis. Van India naar Israël: dertien maanden vrijheid achter me, nu de muren van het ouderlijk huis voor me. In mijn zak had ik nog slechts honderd dollar, en in mijn hoofd smeedde ik een plan: zo snel mogelijk sparen, zodat ik binnen de kortste keren – hopelijk over hooguit een half jaar – opnieuw naar India kon vertrekken.
Die honderd dollar kreeg jaren later een onverwachte lading, in de dagen na de dood van mijn vader. Het ging, om precies te zijn, om drie cent.
Terug in Israël had ik gehoopt dat de afstand van dertien maanden iets veranderd zou hebben. Misschien zouden mijn ouders me met nieuwe ogen zien, milder, ruimer denkend. Maar zodra ik hen weerzag, voelde ik de oude verhoudingen zich meteen herstellen. Een welkom, een knuffel en een kopje koffie met tahinkoekjes werden vrijwel direct opgeslokt door het dagelijkse leven. Er was nauwelijks ruimte voor mijn belevenissen, mijn groei, mijn nieuwe kijk op het leven. Mijn vaders manier van doen, die onuitgesproken hiërarchie in levenswijze en denkwijze, overheerste alles. Ik had gedacht dat ik de ketenen van mijn ouders en de cultuur waarin ik was opgegroeid in India had losgetrokken, maar ze bleken geduldig op me te hebben gewacht in mijn ouderlijk huis.
Het geld moest ik natuurlijk omwisselen in sjekels zodat ik in elk geval iets had om mee te betalen tot ik een baan vond. Toen mijn vader dat hoorde, werd hij meteen enthousiast. Dollars waren immers stabieler dan de sjekel. Hij zou die van mij wel overnemen. Het was geen verzoek, het was een mededeling.
Nee zeggen tegen hem was geen optie. Zelfs na dertien maanden aan onbekommerdheid voelde ik bij die gedachte de beklemming van angst opkomen. Zelfs nu, terwijl pa de sjekels telde, voelde ik flarden van de kalmte die India me had gegeven — maar de oude patronen wogen zwaarder dan mijn herinnering aan vrijheid. De innerlijke rust die ik in India had opgebouwd, leek te vervagen onder de zwaarte van oude patronen en jarenlang ingesleten conditioneringen. Om toch iets van zelfbehoud – of misschien zelfrespect – overeind te houden, greep ik naar het enige machtsmiddel dat ik op dat moment kon bedenken: onderhandelen.
Honderd dollar stond gelijk aan 265,03 sjekel. Pa gaf me er 265.
‘En de drie cent dan?’ vroeg ik.
Pa keek me strak aan.
Ik hield voet bij stuk: ook die moesten erbij. Take it or leave it.
Pa werd razend. En terecht natuurlijk – al begrijp ik, zelfs jaren later, mijn koppige drang naar autonomie maar al te goed. Zijn woede zorgde ervoor dat ik mijn mond hield over die drie cent.
Jarenlang zweeg ik. Die paar centen lagen te rotten in mijn ziel, een bittere plaag. Eén enkel woord van mijn kant zou pa’s woede weer doen oplaaien, dat wist ik. Ik zei niets. Nooit sorry, nooit excuses. Het ging natuurlijk niet om die verdomde centen, maar om wat erachter zat: het niet willen verliezen van mezelf, van mijn zelfbeschikking. Ik wist dat ik gelijk had, maar dat bracht geen geluk. En nu, tijdens zijn sjiva (de zevendaagse rouwperiode), sijpelde hun giftige sap door mijn verdriet, drie centen als de eeuwige maat van mijn falen als dochter.
Hotel Aarde 19
Drie-zeven-dertig
Drie van de zeven dagen van de sjiva rouwperiode gingen voorbij. Dagen waarin onze voornaamste bezigheid als dertien rouwenden bestond uit zitten. Zitten en rouwen. Ook op de vierde ochtend overviel de harde realiteit me zodra ik wakker werd: mijn vader was er niet meer.
In al mijn jaren in Nederland dook het beeld van de dood van mijn vader geregeld op. Het was een hardnekkige angst: de vrees dat ik er niet op tijd zou zijn. Ik wilde erbij zijn voor hij zijn bewustzijn verloor, om hem nog iets te kunnen zeggen. En hij mij misschien ook.
Soms had ik me afgevraagd hoe ik zijn dood zou beleven. Hij had gezorgd voor een dak boven ons hoofd, brood op de plank, normen en waarden in onze ziel, maar hij en ik waren nooit close geweest. Niet vanwege de fysieke afstand – die kwam pas later. De andere afstand was er altijd al.
Toen ik jong was, botsten we vaak. Ik gehoorzaamde zijn bevelen niet snel genoeg, was te opstandig naar zijn zin. In zijn patriarchale opvatting was gehoorzaamheid vanzelfsprekend: kinderen hadden te doen wat hun ouders zeiden. Bij mij raakte het aan het bekende spanningsveld tussen autonomie en verbinding. De angst die ik toen voor hem had, voor zijn ongeduld en zijn woede-uitbarstingen, was nooit echt verdwenen. Afstand nemen genas die angst niet. Ze trok zich terug naar de achtergrond, vond andere geitenpaden om te bewandelen, nam andere vormen aan.
Volgens Oranit had hij in de loop der jaren geleerd beter met zijn emoties om te gaan. Hij had geleerd ze te kanaliseren. In plaats van iets kapot te maken (een glas, een bord, een stoel) maakte hij op de heetste momenten nu een ommetje. Die ontwikkeling heb ik zelf niet van dichtbij meegemaakt. Ik hoorde erover als een buitenstaander, iemand aan de zijlijn – alsof het zich had afgespeeld in een tijd en ruimte waar ik geen deel van uitmaakte. Ook heb ik, in al mijn jaren op deze aarde, nooit een echt gesprek met hem gehad. Een goed gesprek. Ergens voelde ik me daar toch een beetje schuldig om.
Ik stond op en liep door de woonkamer naar de badkamer, mijn ogen opnieuw vol tranen.
‘Nou, lieverd,’ zei tante Mel die in de woonkamer op een lage stoel zat, ‘het is wel genoeg geweest met dat gehuil.’
Ik staarde haar aan. Mijn verdriet kreeg iets scherps, iets vijandigs. Wat gaf haar het recht om te bepalen wat ik voelde, of hoelang mijn verdriet mocht duren?
Tante Mel leek mijn blik niet op te merken, of ze koos ervoor hem te negeren. ‘De eerste drie dagen zijn voorbij. Vanaf nu mag er niet meer worden gehuild,’ zei ze. De zus van mijn vader. Een van de rouwenden.
Rot op, dacht ik en liep door. In de badkamer trok ik het doek dat de spiegel afdekte opzij – een gebod negeren, o wee – en keek naar mezelf.
Rode ogen, opgezwollen gezicht, bleek. Mezelf zo te zien joeg verse tranen omhoog.
Ik had nooit verwacht dat ik bij mijn vaders dood zó ontroostbaar zou zijn.
’s Middags, in de achtertuin, droeg een bezoeker precies dezelfde boodschap uit: ‘Drie dagen voor het wenen, zeven dagen voor de lofrede, dertig dagen voor gestreken kleren en een knipbeurt,’ zei hij.
Deze uitdrukking, afkomstig uit de halacha, de joodste religieuze wet, verwijst naar de duidelijk voorgeschreven fasen en structuren van rouw: drie dagen van intens verdriet, gevolgd door zeven dagen waarin troost, toespraken en samenzijn centraal staan, en ten slotte dertig dagen van verminderde rouw, waarin het nog steeds verboden is je te verfraaien, en je onder andere dus je kleren niet mag strijken of je haar mag (laten) knippen.
Dat bracht me in verwarring. Was het niet juist het doel van de sjiva om direct na het verlies zeven dagen lang te zitten, het verdriet toe te laten, het de ruimte te geven om zich te ontvouwen, zodat het werkelijk ervaren kon worden? Het juist onder ogen te zien, zodat wanneer de tijd kwam om terug te keren naar de normale routine, dat op een natuurlijke manier kon gebeuren, zonder dat het verdriet allesoverheersend bleef?
Ook hierin staat in het Jodendom de dode voorop. Gedurende de eerste drie dagen na het overlijden blijft er een sterke band bestaan tussen de ziel en het lichaam. De ziel blijft dichtbij in de hoop terug te kunnen keren. Rouwen en wenen om de overledene verzachten in deze dagen het lijden van de ziel. Maar na drie dagen beseft de ziel dat het lichaam begint te ontbinden, de glans van het gelaat verandert, en neemt zij voorgoed afscheid. Daarna dwaalt zij tot het einde van de sjiva tussen huis en graf. Overmatig huilen in deze fase kan de ziel, die nog spiritueel verbonden is met haar geliefden, belasten en tegenhouden, waardoor haar overgang moeilijker wordt. Dat is niet gewenst. Daarnaast kan buitensporig rouwen worden opgevat als een teken van twijfel aan Gods oordeel en barmhartigheid. Alsof God een fout heeft gemaakt. Zo’n ernstige aantijging brengt ongeluk.
Maar hoe zat het met mij als rouwende? Met míjn pijn, met míjn proces? Sjiva zitten sloot juist naadloos aan bij mijn eigen spirituele levenswijze: bewust aanwezig zijn bij alles wat zich aandient. De emoties laten komen zoals ze komen, ze observeren zonder oordeel. Die parallellen voelden als een zeldzame verbinding. Eindelijk een kruispunt waarop mijn religieuze familie en ik elkaar konden vinden. Juist hier moesten er geen strakke regels zijn, maar ruimte om te zijn.
Nu begon ik te twijfelen: draaide het om ruimte voor de reis van mijn vader – of om ruimte voor mijn eigen reis? Waarom kon het niet allebei zijn? Ik voelde hoe ik steeds meer van mezelf verloor door me te schikken naar de regels, uit zorg voor zijn ziel. Maar wie was ík in dit geheel? Was ik de stille toeschouwer, of juist iemand die kopje onder ging in haar eigen pijn? Moest ik mezelf blijven beheersen, of leren meebewegen met wat zich aandiende?
Hoewel de Joodse rouwwetten een gestructureerde tijd geven om verdriet te verwerken, respecteren ze ook de complexiteit van de ziel. ‘Eenieder die te veel rouwt om een overledene, huilt eigenlijk om een andere overledene,’ zegt het Talmoedisch leerboek. Verdriet verbindt ons met diepere stromingen in onszelf, wordt een vat dat ook vele andere verliezen bevat. Overmatig verdriet komt vaak voort uit een oud, nog niet verwerkt verlies of uit de onverwachte confrontatie met de eigen sterfelijkheid. Het is dan een uitnodiging om stil te staan bij wat er nog meer in het rouwgevoel verscholen ligt.
Niet mogen huilen op de vierde dag voelde niet als steun voor de overgang van mijn vader, maar als een pijn die langzaam mijn hart deed verharden. Die drie-zeven-dertig-regel was voor mij nauwelijks te dragen. En toch was het juist op dat breekpunt dat ik werd uitgenodigd stil te staan bij wat er nog meer verborgen lag in mijn rouw.


@ Pieter van den Broeke

