Contouren van een afdruk

Na de driedelige trap ga ik door de dubbele deur naar de kleine kamer met uitzicht op de straat. Als ik binnenkom, herken ik in het kussentje de vorm die mijn hoofd de dag ervoor heeft achtergelaten. De zachte indruk in de vulling wijst me de weg.
    Ik sla mijn benen over elkaar en laat me langzaam naar achteren vallen, precies in het kuiltje dat ik maakte. Zodra de deur in het slot valt, lig ik al bijna in mijn vaste houding: shirt naar beneden om geen buik bloot te geven, handen onder het hoofd. Dan is het stil. Alleen het bonzen van mijn hart klinkt nog; de trap heeft het ritme verhoogd. Pas wanneer mijn ademhaling zakt, komt het tikken van de klok tegenover me naar voren. Ik ben er weer.
    De wanden en het plafond van de kleine kamer zijn wit gesausd. Vanuit mijn vaste positie zie ik meteen dat er iets niet klopt. Links van me steekt een spijker uit de muur, op de plek waar eerder een schilderij hing. Het doek, klein en bijna onbeduidend, hield de kamer in evenwicht. Nu het verdwenen is, voelt de ruimte leger, alsof ze zich opnieuw moet ordenen.
    Mijn blik keert steeds terug naar de spijker. Hoewel het schilderij lange tijd mijn uitzicht bepaalde, kan ik me de exacte voorstelling even niet direct voor de geest halen; alsof ze, nu ze verdwenen is, ook uit mijn geheugen is losgeraakt.
    Met het dalen van mijn hartslag komt het beeld langzaam terug: weiden en bomen aan de Hollandse waterkant. Een geploegde akker, geflankeerd door een rij wilgen, eindigt bij een negentiende-eeuws boerderijtje. Daarboven een heldere blauwe lucht waarin scherpe wolkjes de horizon bekronen.
    Misschien was het bedoeld om rust uit te stralen, een niets-aan-de-handschilderij voor een neutrale ruimte. Nu het er niet meer is, krijgt juist het ontbreken een nieuwe nadrukkelijkheid. Het is vreemd hoe dingen die verdwijnen hun sporen kunnen achterlaten, alsof ze nog bestaan. Net als de afdruk die mijn hoofd achterliet.
    Even later dwaalt mijn aandacht naar het kozijn schuin tegenover de lege plek. Het laat zich verdelen in twintig kleine raampjes; de middelste twee in de onderste rij staan vandaag open. Koele lucht bereikt de kamer. De klok tikt. Het gordijn beweegt licht en valt weer stil.
    Terwijl ik frisse lucht inadem, vraag ik me af waarom deze verandering me zo bezighoudt. Wat doet die leegte met me? Zal er straks iets anders komen te hangen? En waarom hing hier überhaupt een schilderij? Was het een bewuste keuze of eenvoudig toeval? Had het net zo goed iets anders kunnen zijn? Een abstracte compositie, een zwart-witfoto, een expressief kleurengevecht?
    Toch is het type tafereel niet geheel willekeurig. Misschien is dat ook wat me aan de lege plek blijft bezighouden: er is niet simpelweg iets verdwenen. Zoals in landschapskunst de wereld vaak wordt voorgesteld als iets dat zich laat overzien, lijkt ook deze leegte nu naar een vorm van ordening te zoeken, of misschien zoek ik die.
    Aan het begin van de negentiende eeuw waren geïdealiseerde landschappen populair: fantasierijke doorkijkjes met klassieke tempeltjes, berghellingen en strijklicht vormden een harmonieuze opeenstapeling. In zulke voorstellingen verscheen de wereld als een afspiegeling van een ideaal; een Arcadië waarin alles samenviel. Een landschap als volmaakte bestemming, als een plaats waar onrust tot stilstand komt.
    In de loop van die geschiedenis verschoof de aandacht van reconstructie naar beleving. Licht werd stemming, beweging werd emotie. Het doek was niet langer een raam naar een geordende wereld, maar een oppervlak waarop de binnenwereld zich mocht projecteren. Het paradijs raakt los van de plaats en bestaat alleen nog in de verbeelding. Misschien voltrekt zich hier in deze kamer iets vergelijkbaars.
    Als ik er even op let, vult het tikken van de klok opnieuw de ruimte. Een windvlaag trekt langs het gordijn als de zon doorbreekt en de ruimte verdeelt in licht en schaduw. Ik denk aan hoe hoop zich soms aandient: niet als iets wat al vorm heeft gekregen, maar als een beweging richting iets dat zich nog niet heeft uitgekristalliseerd. Niet als een bestemming, maar als een houding.
    In de kerkdiensten uit mijn jeugd hoorde ik voor het eerst over het land van melk en honing; de bestemming na een lange tocht door de woestijn. Tegelijk leerde ik dat hoop een nieuw richtpunt krijgt, ze verschuift van een concreet stuk land naar een vermogen: blijven verwachten, blijven zien, ook wanneer er niets concreets is om aan vast te houden. Hoop werd een oefening.
    Misschien werkt zo’n oefening nog altijd door. Alsof dat vermogen zich heeft ingesleten, zoals een afdruk die blijft bestaan, ook wanneer de vorm die hem maakte verdwenen lijkt.
Misschien heeft dat ermee te maken: dat het vermogen te verwachten niet vanzelf gaat, dat het schuurt met de werkelijkheid en steeds opnieuw gevonden moet worden.
    Vooralsnog kom ik hier op vaste momenten, in het vertrouwen dat er nog iets is dat zich kan ontvouwen. De lege plek dwingt me nu tot kijken. Niet naar wat er was, maar naar wat zich nog kan vormen. Alsof de stilte in de ruimte me vooruit duwt: van wat er niet is naar wat er zou kunnen zijn.
    De klok tikt. De satijnen vitrage voor het raamkozijn steekt glinsterend af tegen het crèmekleurige raamwerk. Na een volgende vlaag lucht waait het doek zachtjes naar me toe. Er ontstaan kreukels in de witte plooien als het satijn even later terug op de vensterbank glijdt en lijkt te bevriezen. Af en toe tilt de wind het gordijn op en wordt de verstilling verbroken; de scherpe vouwen strijken glad als het doek weer wordt opgetild.
    Door het maasvormige weefsel zie ik hoe de bladeren van een boom samenvloeien tot een beweeglijk geheel. Het groen, de wolken en de blauwe lucht omlijsten de geluiden van de straat: spelende kinderen, een optrekkende auto, een fietsbel.
    Wanneer ik opschrik, keer ik terug naar de lege plek. Misschien voelt ze minder leeg dan daarnet. Niet gevuld, maar open. Hoop, bedenk ik, is niet wat je hebt en wat je voor eens en altijd op je cv kunt zetten, maar wat zich vormt zolang je blijft kijken. Misschien raakt dat aan iets fundamenteels: dat wat ontbreekt je voortduwt, zonder dat het al vorm heeft.
    Opnieuw beweegt het gordijn naar me toe en strijken de plooien glad in een kort moment van verstilling. Even lijkt de ruimte te ademen. Dan valt alles weer rustig terug.

Jeroen Kool

Jeroen Kool (1979) studeerde af aan de AHK en de Gerrit Rietveld Academie. Hij werkt als beeldend kunstenaar, kunstdocent en ontwikkelaar van de praktische filosofiemethode Denken en Doen. In zijn werk onderzoekt hij zingevingsvragen rond weerstand, hoop en verlangen. Eerder publiceerde hij verhalen in Trouw en Kunstzone.

Meer Elders beschouwt

bloesem@ Els Kort
Twee-mannen-komend-uit-een-café-Jan-Wiegers-Foto-Marten-de-Leeuw@ Jan Wiegers @ Marten de Leeuw