Hosanna

Lang verhaal

Zevenenveertig jaar had het geduurd. Maar eindelijk hoorde ik bij de notabelen. Mijn vader zou trots zijn geweest. Hij droomde van een zoon die het ver zou schoppen: biochemicus, burgemeester, misschien handelsattaché. In mijn sluwe kant zag hij potentieel voor een dubbelrol bij de Staatsveiligheid. Alleen: met mijn ADHD had ik mezelf binnen de week verraden.
    (Ik heb geen diagnose nodig. Mijn moeder zei dat ze alles van me wist, omdat ik overal sporen achterliet. Ze had gelijk: mijn eerste sigaret had ze al geroken. En dus werd ik huisbewaarder. Van een theater nog wel.)
    Aan de ingang voor de eregenodigden tikte de woordvoerder van de rechtbank me op de schouder. Een aantrekkelijke, schrandere vrouw. In een ander leven waren we misschien collega’s geweest: we solliciteerden ooit tegelijk bij dezelfde minister. Zij werd het, ik niet. De kabinetschef had me juist ingeschat: te wispelturig, te veel van het een of het ander, nooit op het juiste moment.
    ‘Ga je hier iets over schrijven?’ vroeg ze. Ik haalde mijn schouders op, maar wist natuurlijk dat ik zou schrijven.
    We namen plaats op de eretribune. Niet door mijn baan als huisbewaarder van de Stadsschouwburg. Aan die functie kleeft nauwelijks prestige. Maar mijn vrouw werkt op een politiek kabinet, dat opent deuren waar ik geen toegang toe heb.

*

Elk jaar trekt de Heilig Bloedprocessie door Brugge. Veertig taferelen, twee uur lang. Van het Oude Testament tot de lijdensweg van Christus. Romeinen marcheren, farizeeërs discussiëren, kinderen zwaaien met palmtakken. Mijn stad speelt haar lievelingsrol: een tableau vivant, met God in de hoofdrol.
    Brugges Schoonste Dag, heet de processie hier. Zelfs een verstokte vrijzinnige spreekt die naam plechtig uit. Of lacht ermee, om vervolgens tóch te komen kijken.
    Ik zou de hele stoet kunnen fileren. Het gedoe met de oubollige kostuums, het gekletter van blikken nepzwaarden, de potsierlijke Romeinse legioenen. En dan dat relikwie: als we alle West-Europese exemplaren die Christus’ bloed zouden bevatten bij elkaar legden, was Jezus een os.
    Toch dragen we dit al acht eeuwen mee. Ik schaam me soms. Op dagen als deze lijkt het alsof elke Bruggeling een ridder- of jonkvrouwenpak in de kast heeft hangen. Maar ik speel het spel mee.
    Want ik ben ook een kind van mijn stad. De historicus Jan Dumolyn, een naar Gent geëmigreerde Bruggeling, noemt het de ‘pralinisering van de binnenstad’: Brugge als zielloze bonbonnière. Elke vezel gladgestreken, elk ruw randje weggepoetst. Zoet vanbuiten, leeg vanbinnen. Hoe anders het Brugge van zijn moeder, dichteres Patricia Lasoen:

Langs de vuilniszakken, de waterplassen, het vermoeden van ratten.

Zo kan het ook zijn: een onvolmaakt, en dus levend, Brugge.

*

Vanop de tribune kijk ik uit op de Steenstraat, de oude handelaarsas tussen ’t Zand en de Markt. Op nummer 25 staat het oude ambachtshuis van de metselaars. Mijn grootouders woonden ooit boven de confectiezaak voor de gewone man waarvan mijn grootvader de zaakvoerder was. De winkel heette Marvan, naar verluidt een samentrekking van Ma Revanche, mijn wraak. Van een eigenaar die tijdens de Tweede Wereldoorlog alles verloor. Ik wou dat ik die naam zelf had bedacht.
    Daar nam mijn vader, als jongen van een jaar of twaalf, honderden zwart-witfoto’s van de processie. Begin jaren zestig, vanaf het balkon. Nu liggen ze opgekruld in een lade, in vergeelde enveloppen.
    Een paar jaar geleden trok ik mijn stoute schoenen aan en stapte het pand binnen, waar nu een kledingketen zit. Ik hoefde geen smoes. Ik zei dat iedereen die er ooit woonde dood was, behalve ik. Soms volstaat dat als motief.
    Op de tweede verdieping, waar de keuken was, hing nog een kruisbeeld van mijn grootmoeder: een zinken Christus met afbladderende tranen. Waarom liet ze het hangen toen ze in de jaren tachtig naar de rand van de stad verhuisde? Was ze het vergeten? Of hoopte ze dat niemand van ons ooit zou terugkeren?
    Er stond nog een gasfornuis uit de jaren vijftig. Alsof ze elk moment weer ossentong in madeirasaus kon maken, of pudding met speculoos op de bodem. Opa vloekte wanneer ze stiekem aan de lepel had gelikt, waardoor de pap slap en waterig werd. Dit jaar zou ze 101 geworden zijn. Ze stierf in 2007, nadat ze wekenlang weigerde te eten. De dokters vonden geen ziektebeeld. Ze stopte gewoon. Niemand durfde het zelfmoord te noemen.
    Mijn grootmoeder liep ooit zelf mee in de processie. In de jaren dertig, als leerlinge van de Maricolen, een kloosterschool waar meisjes uit bescheiden gezinnen dienstbaar werden gemaakt. Ze zwaaide met palmbladeren en riep: ‘Hosanna!’ Een kinderstem, ingepland tussen Romeinen en rabbi’s. In de meisjes die nu voorbijkomen, met gitzwart haar en ritselende palmtakken, zie ik haar terug.

*

Naast me zit een oudere Zwitserse dame. Het lege stoeltje naast haar was voor haar zus, zegt ze. Maar die struikelde vanmorgen over de kasseien en werd met de ambulance afgevoerd. Ze vertelt dat haar zus nu in het Sint-Janziekenhuis ligt. Dat het top rated is, zo probeer ik haar gerust te stellen. Het klinkt als een verkoopspraatje, alsof ik altijd mijn stad moet verdedigen. Zelfs tegenover een vrouw die haar zus net zag weggedragen worden.
    ‘You must be a very important man,’ zegt ze, wanneer ik vertel dat ik house manager ben van het Royal City Theatre. Concierge klinkt in het Engels alleen maar als portier, dus ik laat haar in de waan. Soms is liegen een vorm van zelfzorg.
    Op de hoogste rij in de tribune zit een skinhead. Kaalgeschoren, sportjekker, zwarte boots met witte veters. Mijn blik blijft bij hem, alsof er een spot op zijn schedel schijnt. Hij kijkt geboeid naar de karren. Mijn hart versnelt.
    Maar stel dat hij alleen zijn zakdoek zoekt. Omdat hij moet niezen. En ik roep. Paniek. Mensen stormen de tribune af. Ik word afgevoerd voor de ogen van mijn gezin.
    Het stigma van de psychiatrie laat je nooit meer los. In mijn hoofd blijf ik altijd patiënt. En de ander, hoe minzaam ook, zal altijd denken: die zat ooit binnen.
    In 2022 liet ik me vrijwillig opnemen. Tien weken afkicken van de benzo’s die me vijftien jaar hadden verdoofd. De psychiater schreef in mijn dossier: ‘Zal vermoedelijk nooit meer functioneren in het Normaal Economisch Circuit.’ Hij kreeg gelijk. Ik werd huisbewaarder van een theater.
    Ik heb mijn opname nooit verzwegen. Meer nog: ik zou het iedereen aanraden. Waar anders zit je aan tafel met vissers, nachtwakers, thuislozen, leerkrachten en stukadoors, en luistert iedereen écht naar elkaar? Zonder rang of status. Zonder cv.

*

Jezus valt op het plein, net voor hij de tribune verlaat. Precies op de juiste plek gaat hij door de knieën.
    ‘Jezus was een rebel,’ leg ik mijn dochter uit. ‘Hij weigerde belasting te betalen aan corrupte leiders en noemde hen huichelaars.’ Ik vertel over de tempel: hoe hij met donderende kracht de tafels van de geldwisselaars omvergooide.
    Ik wil eraan toevoegen: ‘Zoals je papa dat deed.’ Maar ik slik het in.
    Nu begrijp ik waarom mijn andere oma altijd huilde bij de val van Jezus. Niet om de val, maar om wat daarna kwam: de weg naar de heropstanding. Ze kende haar eigen kruis. De dood van haar dochter. Het vertrek van haar zoon naar Amerika. En haar man, de bullebak.
    Zijn moeder stierf in 1936 in een Parijs flatje. Hij was twaalf toen hij haar vond op de keukenvloer. Na haar dood belandde hij op een nonneninternaat. Wat doet een goede katholiek wanneer een jongen die net zijn moeder verloor nog in bed plast? Je zet hem midden op de speelplaats, met zijn pisdoek op het hoofd. Urenlang, tot alle kinderen hem hebben uitgelachen. ‘Krijgers van God,’ noemde Hugo Claus de nonnen van het internaat waar hij zelf verbleef.
    Van dat trauma kwam mijn grootvader nooit meer los. Hij werd explosief. Mijn moeder werd meermaals bij het haar van de trap gesleurd. Oma bleef rechtop staan, tot het kruis haar uiteindelijk neerdrukte. Zoals het dat met ons allemaal zal doen.

*

Eindelijk arriveert het schrijn met het bloed van Christus, bewaakt door de Confrérie van het Heilig Bloed. Vooraanstaande Bruggelingen in fluwelen mantels en witte handschoenen, met de rust van mensen die zeker zijn van hun plaats in de wereld.
    En daar, met stijve gebaren en een serene maar huichelachtige blik: mijn ex-baas, de begrafenisondernemer. De man die me het leven had kunnen kosten. Waarschijnlijk had hij me dan zelf opgebaard, ceremoniehemd opengeknipt, vingers gekruist, tegen mijn overtuiging in.
    Hij maant het publiek om recht te staan. Met zachte hand. Zoals bij een teraardebestelling. Of bij het bloed van Christus.
    Mijn bloed kookt. Hij stuurde me ooit in mijn eentje het kerkhof van Sint-Michiels op, om een marmeren grafsteen van vijfendertig kilo los te beitelen. De steen schoot los, recht op mijn borst. Ik lag daar, bloedend in ceremoniekostuum, met de grafsteen van een ander op mijn lichaam.
Veel uit die benzojaren is vervaagd, maar dat moment zie ik nog haarscherp: de open deur van de lijkwagen. En de ene gedachte die alles overnam: ik moet naar huis. Naar mijn vrouw. Nu.
    Maar ik reed eerst naar het bedrijf, als een brave knecht. Een collega bracht me naar de spoed. Daar zat mijn vrouw al. En ik brak: de grootste huilbui van mijn leven. Ik wist nog niet dat dit een val was, voorafgaand aan een verrijzenis. Dat mijn baas mijn Pontius Pilatus was.

*

‘Ben je aan het tobben?’ vraagt mijn vrouw.
    ‘Neen hoor. Veel prikkels.’
    Ze kijkt me aan. Ik knik. Geen geheimen voor haar, zelfs de lelijkste niet.
    ‘Ik denk gewoon… dat veel mensen me haten.’
‘Wie dan?’
    ‘Ik heb te veel heilige huisjes omvergegooid. Niemand kijkt graag in de spiegel.’
    Onze dochter mengt zich in het gesprek, met perfect getimede onschuld. ‘Misschien haten ze je als ze je lezen,’ zegt ze, ‘maar als ze je leren kennen, niet hoor. Jij hebt mij ook al uitgescholden, en ik zie je nog altijd graag.’
    ‘Dat is waar, meid,’ zeg ik. ‘Sorry daarvoor. Maar je kunt ook echt irritant zijn.’
    We lachen. Een beetje.

Tijs Synaeve

Tijs Synaeve is historicus en schrijver. Hij publiceerde essays en stukken in onder meer De Groene Amsterdammer, NRC, De Standaard, De Morgen, Humo en Knack, over politiek, cultuur en geschiedenis. Op zijn Substack Het Woelwater verschijnt geregeld nieuw werk. Hij getuigde eerder over zijn jarenlange verslaving aan benzodiazepines en alcohol, en over de moeizame weg eruit. Tot dat verhaal laat hij zich liever niet herleiden. Hij is echtgenoot en vader van een dochter. Na een calvarietocht van jaren vond hij de job van zijn leven: huisbewaarder van de Koninklijke Stadsschouwburg in Brugge. Van daaruit observeert hij het leven in de stad en daarbuiten. Meedoen wil hij even graag.

Meer proza/poëzie

E logo lange verhalen
E logo poëzie
E logo lange verhalen