Standplaats Baarn

Ewa Maria Wagner

1
Standplaats Baarn

Foto: Ron Pol, Viool met een uitzicht (1994)

Opus 3

De verwachting van het weekend hangt al in de lucht op een van warmte zinderende vrijdag. Onverwacht vrij van alle verplichtingen zit ik onder het zonnescherm in mijn Baarnse patio de recente biografie van Hélène Serafia Haasse te lezen. Misschien doordat de vakantie in het verschiet ligt of misschien door het bonte levensverhaal van Haasse dwaal ik al snel van het hier en nu af. Langs mijn leesstoel stijgt de door de zon versterkte geur van de Toscaanse jasmijn op, wat mijn zintuigen prikkelt, en ineens loop ik door een exotische tuin in Batavia aan de noordkust van Java.

De geciteerde zinnen van de schrijfster fluisteren vanuit de pagina’s en galmen na in mijn fantasie. Hoe verder ik lees, hoe meer ik me vastklamp aan de eenvoud van haar opvattingen. Overweldigd krijg ik spijt dat ik slechts een enkel boek van haar gelezen heb, eentje dat niet eens indruk op me maakte. Nu pas besef ik dat het toen aan onvoldoende kennis van de Nederlandse taal gelegen zou kunnen hebben. Twintig jaar later, onvoorzien, krijgen mijn ambities door het prisma van haar leven contouren: Haasses manier van denken sluit aan bij mijn huidige bestaan als de juiste maat jurk bij een lichaam. In de spiegel van mijn verbeelding bekijk ik haar zinnen één voor één, haar beeldspraak over haar eigen schrijfproces trekt me met gemak een vertrouwde schrijverswereld in die door haar nu legitiem voelt. Waarom kan ik het niet op eigen kracht? Schrijft ze wat ik denk, of denk ik wat ze schrijft?

Vaak hoor ik als compliment over mijn publicaties dat ik iets goed ‘verzonnen’ heb of dat ik een levendige fantasie bezit, terwijl ik juist het gevoel heb dat ik vanuit de waarheid schrijf. Ik lieg nooit als ik een verhaal schrijf, het is eerder dat de wereld om mij heen zijn eigen waarheden hanteert. Juist de verscholen werkelijkheid die zich alleen aan mij openbaart trekt me zo aan dat ik ervoor kies er te blijven. Zolang er kracht van uitgaat, zo lang blijft schrijven mijn primaire behoefte. Natuurlijk moet ik dagelijks over de brug van het reële leven terug om te eten en te functioneren, ik ontkom ook niet aan een sociaal leven, maar tijdens deze fase sta ik voor het schrijven op en ga alleen slapen om de volgende dag met woorden te beginnen en door te werken. Mensen om me heen beleef ik als een noodzakelijk euvel. Dan laat ik alleen nog muziek tot me toe, maar enkel als ik er aandachtig naar luister, geen achtergrondgeroezemoes, om de dialoog met mijn onzekerheid te weerspreken.
    Maar zijn mijn zinnen goed genoeg? Komt over wat ik wil zeggen? De vele klanken die harmonisch samenwerken om een muzikale gedachte over te brengen, confronteren me met mijn ‘niet goed genoeg zijn’-gevoel in het Nederlands. Tot nu toe was het mijn geheim, maar Haasse twijfelt ook: over zichzelf als schrijver, over haar zinnen, over haar taalgebruik. Zij, die in Nederland geboren is en een taalvirtuoos werd.

Even sluit ik mijn ogen, de warmte dringt mijn lichaam in alsof mijn huid geen barrière vormt. Vol ontzag vraag ik de grote schrijfster hoe ik mijn onzekerheid kwijt kan raken. Welke woorden wijzen naar mijn eigen weg? De vraag is zo belangrijk voor me dat ik hem meteen met potlood opschrijf naast de zinnen over Haasse in het boek. Mijn verbeelding schotelt me verschillende overtuigingen voor, mijn oren duiden de muziek aan, maar mijn hart, wat is er aan de hand met mijn hart? Waarom zegt dat niets?

Dorstig naar meer inzicht lees ik door. Tweehonderd pagina’s later klap ik het boek dicht en kruip uit mijn hoofd in mijn lichaam terug. Het opstaan van het bankje gaat me moeizaam af. Ondanks mijn koud geworden, ingeslapen been blijft de avond aangenaam. Gelukkig is de zon milder geworden. Verlangend naar een wandeling trek ik schoenen aan en zet de eerste passen op de laan met hoge bomen. Waarom voelt het als een vlucht? Voor mijzelf of voor de vingerwijzing van Hella S. Haasse? Ik weet het niet. Haar geloven dat ik alleen maar mijn schrijversbestaan aan mijzelf hoef toe te geven, lijkt te makkelijk. Misschien moet ik in plaats van naar antwoorden zoeken, al schrijvend vragen stellen, vragen die de verbeeldingskracht met het alledaagse verbinden, vragen naar andere levenspaden.

Voordat ik het besef sta ik voor de Ferdinand Huycklaan 27, het allereerste adres van Haasse in Baarn. Ooit was hier een kinderpension waar haar moeder, pianiste, haar voor langere tijd achterliet als ze op een concerttournee ging. De eenzame dagen van mijn eigen kinderjaren, weliswaar slechts in een dagverblijf, vermengen zich met de imaginaire kinderstemmen rondom de kleine Hella hier. Het reflecteren erover grijpt me aan, en voor even verdwijn ik in mijn droombeelden. Doorlopen, denk ik vlug, maar voetstoots hoor ik nu wel mijn kinderhart, dat mij vertelt dat het dagelijks leven slechts een decor is voor de schitteringen van mijn eigen fantasie, die zelfs licht in het donker en muziek in de stilte kan maken.

Opus 2

In het Baarnse Bos beschijnt de zon de kale bomen. Doordat de ochtend net begonnen is, zijn de paden nog vochtig van de winterse nacht. Zelden wandel ik om deze tijd hier, maar de afgelopen dagen voelen anders dan andere dagen sinds ik in Baarn woon. Kortgeleden is Oekraïne door Rusland aangevallen. Het geweld vindt tweeduizend kilometer hiervandaan plaats, toch kruipt de onrust onmiddellijk in mijn lichaam terug. Alsof de decennia tussen toen en nu er niet zijn geweest, alsof ik nog steeds op de vlucht ben, alsof ik niets in mijn leven heb geleerd.
    Toen ik vanochtend wakker werd, bemerkte ik een groeiende vrees om mijn vrijheid te verliezen. De ongegronde opvatting dat de vluchtelingen ons leven hier in gevaar brengen, ontmoeten mijn oude beduchtheid waaraan ik nooit meer herinnerd wilde worden. Maar ik gun ze geen greep op me, pak mijn laarzen, schiet mijn jas aan en vlucht voor mijn bedenksels naar buiten. Doch het voetenwerk zet mijn gedachtemolen in de verkeerde richting in beweging. Als ik nu opzij kijk, zie ik in plaats van een hoopje bijeengeharkte bladeren een soldatenjas, of zelfs de soldaat zelf.
    Ik blijf midden op het bospad staan, schud mijn hoofd en zie gewoon weer bladeren. Baarn, de stilte van de ochtend en het diffuse licht om mij heen kalmeren me. Ik besef hoe dierbaar de lange dagen me hier geworden zijn en hoe kort al die jaren nu voelen.

In oktober, eind jaren tachtig van de vorige eeuw, was het precies omgekeerd. De jaren leken geen eind te hebben en de dagen werden verminkt door onzinnige regels, waardoor er geen plaats overbleef voor de verborgen schoonheid van het alledaagse. Muziek bood me al vanaf mijn eerste aanraking van de viool bescherming tegen het communisme in mijn geboorteland Polen. Een hele opleiding later, met een cum-laudediploma van het conservatorium op zak, kwam ik in aanmerking voor een masterclass altviool bij een bekende altvioliste in München. Dat ze niet alleen een ster op mijn instrument was, maar ook nog een vrouw, prikkelde me het meest. Als het andere vrouwen lukt vrij te leven, dan moest het mij ook lukken. Toegegeven, er waren niet velen die vrijheid kozen, maar ze waren er wel. Mijn droom over een autonoom bestaan was te sterk om te negeren, en ik zei mijn geliefde Silezië voor een jaar vaarwel in de overtuiging dat ik als een ander mens zou terugkomen. Met mijn instrument, twee koffers en een heleboel verwachtingen stapte ik zes maanden na mijn vierentwintigste verjaardag op de trein naar Duitsland.
    Het was ruim na middernacht, vijf reizigers en ik zaten dommelend in de donkere coupé, toen een fel licht ons wakker maakte. Een van twee grenssoldaten stapte naar binnen, keek eerst naar ons en toen naar de bagage boven onze hoofden. Hij wees naar mijn altvioolkoffer.
    ‘Wat is dat? Openmaken,’ zei hij zonder mijn antwoord af te wachten. Ik stond op en deed wat hij vroeg. De karige ondervraging verliep goed, totdat ik hem spontaan corrigeerde toen hij mijn instrument voor de zoveelste keer ‘viool’ noemde. ‘… Altviool,’ zei ik, ‘dat is een altviool.’
    Hij keek op. Ik zag hoe snel het bloed zijn wangen kleurde, zijn ogen werden donker.
    ‘Uitstappen jij!’ riep hij zo hard dat zijn speeksel op mijn lippen spatte. Ik maakte de altvioolkoffer snel dicht en klemde hem tegen mijn buik. Op het moment dat ik de soldaat passeerde, rook ik zure adem uit zijn mond. Ineens griste hij de altviool uit mijn handen en smeet hem op de grond. Hij duwde me voor zich uit met een hard voorwerp in mijn rug.
Bij de deur dwong hij me te springen.
    Het perron was wit van het halogeenlicht. Verderop zag ik andere grenssoldaten groepjes mensen controleren. Het was niet erg koud, maar ik rilde. De reizigers achter de ramen keken schuw toe. De soldaat lachte flauwtjes naar zijn kameraden die naar ons toe kwamen, een van hen richtte zijn geweer.
    ‘Wat heb ik gedaan?’ probeerde ik, ‘wat is er?’
    ‘Paspoort!’ brulde hij.
    Waarom vroeg hij dat niet meteen in de trein? Haastig ritste ik mijn jasje open. Zodra ik mijn andere hand in mijn binnenzak stak, richtte ook hij zijn geweer op me.
    ‘Uit de kleren! Nu!’
    De klik waarmee hij zijn trekker spande, maakte mijn keel pijnlijk droog, ik bevroor.
    ‘Versta je nu al geen Pools meer?’
    Mijn angst liet geen beweging van mijn lichaam toe. Toen hij met het uiteinde van het geweer tegen mijn schouder stootte, schoten mijn armen omhoog. Wat wilde hij? Al mijn papieren waren in orde, dat wist ik zeker. ‘Maar…’
    ‘Jas uit!’
    Moeizaam kwam ik in beweging. Hij noemde alle kledingstukken die ik voor hem moest uittrekken. De tijd stond stil, bij ieder stuk dat ik op de grond liet vallen, dacht ik: als ze maar niet op me schieten. Ik stond nog slechts in mijn bh en slip. De andere soldaat liet zijn geweer zakken, ik begon te huilen.
    ‘Uit!’ hoorde ik opnieuw brullen. Terwijl ik mijn bh losmaakte, keek ik naar de treinramen, maar de gezichten erachter waren allemaal weggedraaid.
    De overige mensen stapten weer in de trein. Ik dacht aan mijn altviool in de coupé en bad dat ze me eindelijk met rust zouden laten. Toen liet ik mijn slip op mijn blote tenen vallen.
    Waarom dacht ik dat mij iets zou lukken wat duizenden anderen niet gelukt was? München en het Westen schoven van me weg. De wereld veroveren leek me verder dan ooit, een vrouw heeft een bepaalde weg te gaan, die weg zou bij mij niet anders zijn. Het maakte niet uit wat er nu gebeurde, ik zou nooit meer dezelfde worden.
    ‘Paspoort!’
    Ik begreep niet wat ik moest doen, het document zat nog steeds in de binnenzak van mijn jas, die nu vormloos op de grond lag. Onzeker bukte ik, maar mijn klamme handen konden de kleding niet zo snel ontwarren. Het duurde dan ook even totdat ik het paspoort vond. Ik reikte het hem aan. Hij bleef staan. Ik moest nog dichterbij komen. Toen ik in de wolk van zijn adem stond, nam hij aarzelend het document over. Hij keek een paar keer van de foto naar mijn borsten, alsof ze ook in mijn paspoort afgebeeld stonden. Toen hij de uitnodiging van het conservatorium in München openvouwde, zag ik zijn gezicht veranderen. Op dat moment hoorde ik het fluitje van de conducteur.
    ‘Waarom dan niet meteen, hè?’ Het paspoort trof me in mijn gezicht en klapte vervolgens open op mijn voet, de uitnodiging viel verderop. Die raapte ik als eerste op. Als ik er dan niet heen mocht, dan wilde ik hem bewaren om me ooit nog aan mijn droom te herinneren.
    Ineens kwam de conducteur tussen ons staan. De soldaten lachten nog steeds, terwijl we nu met z’n tweeën mijn kledingstukken opraapten. Ik wilde me aankleden, maar hij schudde zijn hoofd en maakte een beweging met zijn kin. ‘Daarvoor is nu geen tijd meer, stap in, zie dat je hier wegkomt.’
    Binnen een seconde schoot ik mijn schoenen aan, maakte een bundel van de kleren en pakte op het laatste moment het paspoort op. Toen rende ik naar de deur. De conducteur hielp me in te stappen, ik merkte ineens hoe heftig mijn handen trilden. Binnen begon ik hard te snikken.
    De conducteur floot en de trein begon te rijden.
    ‘Vuile honden…,’ zei hij. ‘Ze proberen het iedere keer en hopen dat ik ooit een meisje bij ze achterlaat.’
    ‘Dank je,’ fluisterde ik.
    ‘Ik heb ook een dochter… iets jonger dan jij…’
    De trein was al in volle gang toen ik me aankleedde. In de coupé knikten de mensen naar me, maar niemand zei een woord. Mijn altviool lag weer boven op het rek.
    Net toen ik ging zitten, kwam de trein met een schok tot stilstand. De deur van de coupé ging weer open en een Duitse douanebeambte vroeg naar mijn paspoort. Hij bladerde er aandachtig door, controleerde het visum en vroeg naar het doel van mijn verblijf in Bondsrepubliek Duitsland.
Ik trok mijn jas strakker om mij heen en gaf met een droge keel antwoord. Hij wilde niet eens de uitnodiging zien, maar glimlachte naar me. ‘Is het instrument van u?’
    Ik knikte.
    ‘Een… altviool, zo te zien.’
    Ik zette grote ogen op.
    ‘Muziek staat boven alles op deze wereld… veel plezier met de studie,’ zei hij, en na een korte controle van de andere reizigers zei hij tegen ons allemaal: ‘Welkom in West-Duitsland. En nog een fijne reis naar uw eindbestemming.’ Vervolgens verliet hij de coupé.

De lucht voelt milder. Een hond loopt recht op me af en kwispelt vriendelijk met zijn staart. Spontaan springt hij met zijn vieze voorpoten tegen mijn broek. Zijn baas lacht verontschuldigend naar me.
    ‘Dat geeft niet,’ verzeker ik hem.
    Een fractie van een seconde kijken we elkaar in de ogen. Een vredige entente tussen twee mensen in een vrij land. Hij doet de hond nu wel aan de lijn en we vervolgen ieder onze eigen weg. Om de platitude dat na zoveel jaar ‘iedere hond me hier herkent’ moet ik lachen.
    Mijn onrust smelt weg. Het besluit na afloop van de masterclass in München verder te gaan en te spelen waar ik welkom was, voelt vandaag nog steeds goed. Ik draai me om en loop nu naar huis, ervan doordrongen dat de blauwe lucht boven mijn hoofd niet vanzelfsprekend is.
    Zodra ik thuis ben, schop ik mijn schoenen van mijn voeten en ga spelen. De altviool is inmiddels een ander instrument uit een ander land, maar de muziek staat me nog altijd bij en laat me ook vandaag de toekomst verwelkomen.

Opus 1

In een klein Nederlands dorp loopt iemand met harde passen door het station. Elders gaat een telefoon. Een zachte kreet in een vreemde taal op het perron trekt mijn aandacht. Zelfs Baarn is aan het veranderen. Een moderne trein remt al ruim op tijd zachtjes af om niet op de ouderwetse sfeer van het gebouw te botsen. Toch kijken de mensen op. Ik niet. Ik sluit mijn ogen en luister naar het geruis van de uitstappende passagiers.
    Een scherpe fluit van de conducteur snijdt de lucht tussen de reizigers en mij in tweeën en ik blijf aan de stille kant achter. Nu pas durf ik op te kijken. Nog net zie ik de rode lichten van de trein achter het Baarnse Bos verdwijnen en ik ontspan me op het perronbankje.
    Tussen mij en de uitgang liggen stoeptegels. Misschien zijn het er meer, of minder, maar voor mij zijn het er dertig. Een steen voor elk jaar van mijn leven in Nederland. Ik vraag me af of stoeptegels tegenwoordig ook in alle andere landen dezelfde grootte hebben, zodat mensen zich overal thuis kunnen voelen, maar ik weet het niet. En als ik iets niet weet, zoek ik meestal een station op. Deels om de eerste de beste trein te pakken, maar deels om me zekerder te voelen, want hier lijkt iedereen alles zeker te weten, ook al is het maar hoe van A naar B te komen.
    In afwachting van het besluit om te blijven of toch weg te gaan, tel ik opnieuw de tegels. Eerst in het Pools, dan in het Duits, en om helemaal zeker te zijn ook nog een keer in het Nederlands. De drie talen passeren elkaar in mijn hoofd als internationale treinen, versnellen mijn herinneringen en raken door elkaar. Nu ik mijn gedachten niet meer kan vertalen, schuil ik gauw in het vertrouwde Nederlands. Dan hoor ik ineens jongens vloeken.
    In jeans en hoodies lopen ze met z’n tweeën vrij dicht langs mijn bank. Ik schrik. Klein beetje bevreesd, misschien omdat ik zelf geen kinderen heb, vraag ik me af hoe oud ze zullen zijn. Achttien? Misschien zelfs jonger. Ze letten gelukkig niet op me, er zitten oordoppen diep in hun oorschelpen en ze schokken nu met hun schouders. De ene tikt met zijn voet op het perron, ze lachen geluidloos en stoeien ritmisch met elkaar in een soort berendans. In de stilte houd ik een wakend oog op de twee, maar ik schat ze als ongevaarlijk in.
    De imaginaire klanken brengen me in de tijd terug, ik ben weer kind, en mijn hoofd resoneert met klassieke muziek, altijd alleen maar klassieke muziek. In een ander land in een andere tijd was deze muziek niet in oordoppen gevangen, maar kon juist vrijheid betekenen. Mijn Duitse vader was een liefhebber, hij wist dat muziek ook in een communistisch land een privilege was, en timmerde vanaf mijn zesde aan mijn muzikale toekomst. En ook al verloor mijn kinderhart zich zoveel meer in boeken, ik geloofde hem.
    De tegels bewegen, nee, het zijn de voeten van de jongens, ze dansen nu sneller met elkaar. Even ben ik jaloers op hun jeugdige onbevangenheid waarmee ze zo van de muziek kunnen genieten. Ik was veel strenger voor mezelf, had vanaf het begin een doel willen behalen, als puber wisselde ik zelfs mijn viool in voor een altviool, waarop ik tot aan mijn eerste vaste baan doorgespeeld heb. Nu kan ik zeggen dat het doel is bereikt, maar kan ik er nog van genieten?
    Het voelt alsof ik ooit in een trein gestapt ben, mijn leven kwam wel in een versnelling maar tot mijn verbazing bracht ieder station me dichter bij mijn verloren kinderhart dat eens compleet in de boeken verdween. Ik ben dertig jaar geleden in Hilversum uit deze trein gestapt. Tussen toen en nu, in vele kleine stoptreinen die me van het ene naar het andere concert brachten, vroeg ik me af of dat was wat ik wilde.
    Stiekem kijk ik nu weer naar de jongens, hun muziekplezier overweldigt mij. Op mijn altviool oefende ik vaak om stilletjes in de muziek weg te kunnen kruipen en het leven te ontlopen.
    Nog niet zo lang geleden moest ik met de trein naar mijn werk in Amsterdam. Tegenover mij kwam een vrouw zitten. Ze pakte een leerboek uit haar tas, Nederlands als tweede taal. Ik vroeg haar waar ze vandaan kwam. Uit Krakow, antwoordde ze, en we raakten in gesprek. Zonder taal kun je niet leven, je zult het land nooit begrijpen, zei ze tegen mij. Ik kon die nacht niet slapen. Recent waagde ik eindelijk de sprong muziek voor Nederlands in te ruilen. Ik leefde op en was ineens iemand anders. Of juist mezelf?
    Schrijvend heb ik ontdekt dat ik het verleden achter me kan laten. Maar ik moet wel het heden in de gaten houden, want tijd en waarheid zijn geen vrienden van elkaar: zonder tijd klopt de werkelijkheid niet.
    Een telefoon die vlak achter me afgaat, laat me schrikken. Tegelijkertijd hoor ik een man met harde passen langslopen, maar het plotselinge lachen van twee vrouwen naast me leidt me af. Ik kan de man ook niet meer zien, want een trein glijdt alweer zachtjes langs het perron. De twee jongens en een aantal andere mensen die ik nu pas opmerk, stappen in. Als de trein de deuren sluit, overvalt me het gevoel gevonden te hebben wat ik zocht. De conducteur fluit, stapt in en steekt zijn hand op. Spontaan zwaai ik terug, blij dat ik mag blijven.

Ewa Maria Wagner, in 1964 geboren in Silezië, schrijft over haar leven: ‘Na vanaf 1988 drie jaar in München te hebben gemusiceerd, vond ik in Nederland de muziek, het schrijven en mezelf.
    Silezië worstelt al eeuwenlang met zijn identiteit. Misschien daarom besloot mijn vader dat een leven in de muziek de beste weg voor me zou zijn. Maar mijn relatie met de letteren, die ik al sinds mijn kinderjaren koester, groeide met mijn talenkennis mee. Na Pools, Duits, Russisch, Frans en Engels, bekrachtigt juist het Nederlands mijn liefde voor verhalen – de essentie van mijn leven. Sinds het diploma dat ik in 2016 aan de Schrijversvakschool in Amsterdam behaalde, verdiep ik me dagelijks in de Nederlandse taalkronkels om naast mijn geliefde orkestbaan fatsoenlijk te kunnen schrijven. Muziek is mijn rode draad, maar of het nu mijn columns in de NRC betreft, mijn debuutroman Het Tristan Akkoord (2019), mijn essays over mijn woonstreek in de Baarnsche Courant of mijn bijdragen aan Elders literair, zingeving vind ik in de taal zelf.’