Standplaats Kinshasa

Roland Verbiest

1
Kinshasa
 

Papa Bruno

‘Bonjour boss,’ klinkt een zwakke stem. Ik kijk op van het computerscherm in mijn werkcontainer en zie een magere gestalte die zich vastklampt aan een van de open deuren. Ik knijp met mijn ogen om aan het tegenlicht te wennen. Het is papa Bruno, onze oude trouwe bewaker die al meer dan een week niet op het werk is verschenen. Een gevoel van opluchting en tegelijkertijd een frons. ‘Visage serré’, zeggen ze in Congo.
    Samen met mijn broer run ik inmiddels twaalf jaar een transportbedrijf in Kinshasa. In die periode heeft zich zo’n twee keer per week, los nog van alle bedelaars, een werknemer gemeld met een verhaal over zijn ongeluk en een verzoek om geld. Dat komt neer op ruim duizend verzoeken. De werknemer zegt dat hij ‘est éprouvé’, in rouw is, omdat vader, moeder, broer of oncle is overleden. Eén keer in de twee weken het verlies van een kind. Wat volgt is een verzoek om een bijdrage of een voorschot op het salaris. De helft is duidelijk een lulverhaal. De helft van de andere helft ontvangt ook een negatief antwoord, we beperken ons tot ondersteuning van naaste familie. De rest krijgt deels ondersteuning van de baas en deels ondersteuning in de vorm van een voorschot op het salaris, en er volgt een gesprek over hoe de eigen bijdrage aan de begrafenis zal worden terugbetaald.
    In de wisseling van het natte naar het droge seizoen maakt de dood overuren. Het aantal malariaslachtoffers is groot. ’s Zondags is er op de grote weg voor onze garage niet zelden filevorming door rouwstoeten. Sommige in limousines met goudbeslag, andere met een baar op een aanhangwagen en de rouwenden op scooters erachteraan. Maar de armsten hollen wenend achter een stelletje sterke schouders aan die een kist van karton met de overledene meevoeren.
    Wil je met je bedrijf in Kinshasa overleven, dan kun je niet anders dan hard worden. Wil je met je geweten in het reine blijven op dit eiland van waanzin in een oceaan van gekte, dan probeer je ook menselijk te blijven. Hier en daar een extra zetje. Ik had al gehoord dat er iets mis was met de gezondheid van papa Bruno. Zijn prostaat, zo blijkt. Zoals hij daar staat met zijn kleding zo voddig om hem heen, zie je hoezeer hij vermagerd is. En het was al geen vetpot. Het verontrust me als ik bovendien zie hoe zijn grauwe gezicht als een dor blad staat op een hals zo pezig als een selderijstengel, en zijn maag kolkt van de pijn.
    ‘Comment ça va?’ vraag ik wat dommig. ‘Ça ne va pas, boss,’ antwoordt hij met een donkere blik. Het is duidelijk dat het hem moeite kost zijn hoofd omhoog te houden. Serieuzer kan een signaal niet zijn. Papa Bruno klaagt nooit over zichzelf. Naast zijn fysieke malaise had ik ook gehoord over ‘problemen thuis’. ‘Et la fille?’ vraag ik. ‘Ze hebben haar gevonden in Maluku.’ Een plaatsje dertig kilometer van Kinshasa. ‘Vijftien jaar oud,’ voegt papa Bruno eraan toe en hij maakt een krachteloos gebaar met zijn arm. Zijn dochter, meegenomen, ontvoerd, verdwaald, dat weet ik niet. Ik heb ook gehoord dat het winkeltje van zijn zoon de nacht ervoor is leeggeroofd.
    De afgelopen jaren heb ik ervaren dat als iets onbewaakt blijft liggen er weinig Congolezen zijn die er niet alvast iets van ‘lenen’. Dankzij onoplettendheid verdwijnen zo werksleutels, jerrycans met diesel of olie en geld. Ik heb er dagelijks mee te maken en het is gevaarlijk die dingen te benoemen. De woorden wegen al gauw te zwaar, zo zwaar dat ik ze niet meer de baas ben. Soms voelt dat alsof ik in het luchtledige spartel. Tussen twee beschavingen in. Het verschil tussen Holland en zo’n mislukte staat als Congo kan haast niet groter zijn. In Congo leven we in niets meer en niets minder dan een tribale chaos. Het enige gevoel van nationalisme vind je terug in de traditionele dansen en de mythes die de Congolese cultuur rijk is.
    Via papa Bruno heb ik een aantal van die oude verhalen gehoord. Hij kent er vele en maakt de reputatie van Congolezen als de beste verhalenvertellers waar. Zoals zijn grootouders die zo de donkere sluier van het verleden voor hem hebben opgelicht. Hij plaatst ieder woord voorzichtig naast het vorige, neemt daar alle tijd voor, zoals je bloemen plukt in een gemengde tuin. Terwijl hij vertelt, tikt hij ritmisch met twee vingers in zijn handpalm. Zo weet hij verhalen te veredelen, te idealiseren, tot gigantische taferelen. Ongekunsteld en zo goed dat scherpzinnige mensen erdoor verward raken, maar kinderen met de puurste vermogens het herkennen als zijnde waar en geboeid blijven luisteren. Papa Bruno heeft een bijzonder plekje in mijn hart. Een volkomen deugdzaam mens, met de voortdurende neiging het goede te doen. Ik heb al veel lijden gezien, maar door iets wat papa Bruno zegt, raak ik volledig van slag.
    Ik herken het. In de twaalf jaar dat ik hier ben heb ik het eerder meegemaakt, maar niet vaker dan op de vingers van één hand te tellen is. Duizend keer betaal je met je portemonnee. Soms ook met je ziel.
    Papa Bruno lijkt te worden bevangen door een gedachte die om het hoekje van zijn bewustzijn gluurt, maar nog niet tot vaste vorm is te herleiden. Als een glimp vanuit een ooghoek. Iets zorgt ervoor dat het niet scherper wordt, als angst voor verlies waarin hij gelooft als het tot zijn schedel zou doordringen en op zijn hersens zou inbeuken. Een duizeling bevangt hem en hij wankelt. Hij stamelt: ‘Ze hebben haar meegenomen naar Maluku, maar ik kon zelf niks doen.’ En met een afwezig gebaar wijst hij naar zijn lichaam. Er is niet veel gezegd in onze uitwisseling. Een paar zinnetjes tot nu toe, zoals een vlammetje van een kaars dat meebeweegt in de wind. Dit laatste zinnetje slaat me in mijn gezicht als de vlam van een snijbrander.
    In alle gesprekken met werknemers over hun ongeluk en lijden komen primaire emoties naar boven: vrees, kwaadheid, pijn. Wat me nu zo raakt, is het waardige van zijn emotie, het intense, diepgaande verdriet en de schaduw van een nederlaag die papa Bruno verduistert. Hoe zelfverwijt, het zeer dat het diepst in iemands ziel snijdt, zijn gedachten gijzelt. Papa Bruno, deze prachtmens, behoeft geen titel. Papa Bruno is een en al adel. De adel van een arme, met de instinctieve aandrang om als hij iets heeft, het weg te geven.
    Dat kan nu niet omdat hij er fysiek niet toe in staat is. Papa Bruno is volkomen de weg kwijt. Hij doolt door een diep oerwoud, verloren in een monsterlijke wereld waarin hij zelf het monster is. Als hij zijn ogen sluit, ziet hij talloze glinsterende stipjes als de dwaallichtjes die je ’s nachts in moerassen waarneemt. Als het schemerlicht in het onbekende land dat dood heet.

Ik geef geen antwoord en loop in ernstig gepeins verzonken in de container op en neer, mijn wenkbrauwen gefronst. Waar ben ik mee bezig hier? Die gedachte begint met een bedwelmende opwinding in mijn oren te bonzen.
    Het gesprek wordt afgehandeld met een verwijzing naar het ziekenhuis waar onze werknemers zijn verzekerd, en wat handgeld. ’s Nachts lig ik wakker, mijn geest maalt maar door. Ik kan de klok horen tikken en voel me even leeg als mijn wooncontainer stil is. Bij elke beweging die ik maak zak ik nog verder weg. Papier kent geen schaamte, zeggen ze, maar het bloost precies zo hard als ik terwijl ik dit schrijf.
    Ik zak weg in een dodelijke lusteloosheid, een weeïg soort catastrofe. Ik ben mijn thuisgevoel kwijt. Voor me ligt een dicht bos dat zich uitstrekt als een donkergroen vlak van zuivere golven. Waag ik me erin, dan zullen mijn voeten vast blijven zitten in de wortels, die me naar zich toetrekken. Maar als je je in Congo op het hellende vlak van het ongeluk bevindt, sta je niet stil bij zulke donkere gedachten. ‘C’est déjà de l‘histoire,’ zeggen ze dan. Het is al geweest. Verdrongen door de problemen van vandaag.
    Pas na enkele weken beginnen de nevelen in mijn hoofd op te trekken. Mijn nare, vage en ongrijpbare gedachten moeten weer hun plek innemen op dat wonderbaarlijke schaakbord van het intellect. Ik zal weldra weer kunnen denken en gedachten kunnen ontwikkelen met beredeneerde zetten. Bruno gaat door, maar het zal niet meer goed komen met hem. Het meisje blijft in Maluku, bij een familielid.

papa Bruno standplaats Kinshasa

Roland Verbiest is een eendagsvlieg op schrijversgebied. ‘Oké, maar wel een vuurvlieg dan!’ zegt hij zelf. Hij was oprichter van DOEN, een Haags uitgaanstijdschrift dat hij tien jaar leidde, met een team dat later de stripreeks Haagse Harry het licht deed zien. Verbiest begon een evenementenbureau en is bedenker en – gedurende vijftien jaar – organisator van de Haagse Koninginnenach. Hij organiseerde ook de Ha-Schi-Ba Haagse Schilderwijk Bazar, en FAST, een surfdorp op Scheveningen. Na verschillende verwikkelingen in het Haagse werd hij echter op een zijspoor gezet. Dat deed hem pijn, maar hij herpakte zich en begon samen met zijn broer een transportonderneming in de Democratische Republiek Congo. Over zijn ervaringen in Congo publiceerde hij het boek Blauw hout (2018).